Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik moet bekennen, dat als men ons gevraagd had: — wat is het onderscheid tusschen de ouden en nieuwen, tusschen de classici en romantieken ? dat wij raar zouden opgekeken en weinig geantwoord hebben.

O tijd van krachtige opwellingen, van onberedeneerde, maar dan ook warme, gloeiende, oogenblikkelijke voorliefde en neigingen!

Thans zijn wij meer beredeneerd en veel wijzer — maar ook zoo veel koeler en minder ontvankelijk! Hoe het zij,A wij zullen er ons niet minder wel bij bevinden, geloof ik, indien wij dien trek onzer jeugd niet al te zeer weg redeneeren en uitroeien, en wij zullen het ons niet beklagen in het leven, wanneer wij hierin jong zijn gebleven, dat er voor ons noch toewijding en oogenblikkelijke instinktmatige voorkeur, en warme, al is het soms onberedeneerde, ingenomenheid blijven bestaan.

Er was altijd een buitengewone beweging op straat als wij, gelijk een levendige bijenzwerm, het gymnasiale gebouw verlieten, het oude, vervallen, vervelooze huis dat met het trotsche opschrift P al 1 ad is Se des prijkt. Dan braken al de door het rectorale oog in bedwang gehoudene elementen los, dan hoorde men de uitingen van elk individu; de een schold op den ouden baas, de ander luchtte zijn bedwongen levenslust in straatschendingen; hier waren er die spraken van wat er dien dag op school gebeurd was, over thema's, nota's, en den strijd om den voorrang en de praemia; ginds was er een bezig zjjne boeken in zijn pet en de zakken van zijn broek en buis te verbergen en liep deftig als een mijnheer; de meesten stoeiden, joelden en babbelden door elkander.

Wat een verscheidenheid van karakter en aanleg! Dat zou men niet vermoed hebben, als men ze een half uur vroeger gezien had, allen aan gelijke, met gelijksoortige inktvlekken en kerven versierde'tafels en banken gezeten, allen met hetzelfde boek voor zich , allen peuterende aan dezelfde zin van Plutarchos, en dien naar denzelfden grammaticalen regel uitrafelende.

— Bah! wat was de oude weer lastig en vervelend! zei Piet.

Waarom was je ook zoo stom! antwoordde Jan.

Zoo zijn ze, ruw maar rond. Twintig jaar later zal Jan zeggen: — Als ik de vrijheid mag nemen het op te merken, geloof ik dat de geachte spreker daarin ongelijk had en dat zijn geheugen hem vooreen oogenblik bedrogen heeft op dat punt.

— Stom? Pedante vent! zei Piet.

— Ja zeker! Jongens, is het niet stom, dat hij niet weet hoe een choriambicum asclepiadeum is?

Gelach en toestemming.

— Het is de schuld van dien ellendigen Kees, zei de persoon die gefaald had in de eigenschappen van het choriambicum, — die heeft geklikt dat ik in mijn boek keek.

Sluiten