Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijner denkbeoldige wereld zich kleedden; maar geen was er dat altijd en bij herhaling mijne aandacht zoo zeer trok, als dat ééne portret.

Het was het beeld van eeno oud-tante, waarvan de sterk sprekende trekken krachtig uit den met rocaille krullen gesneden lijst en den donkeren achtergrond naar voren kwamen Zij was op veertigjarigen leeftijd afgebeeld. Zij had een fier oog en vasten mond en was versierd met een muts met oranje-wit-blauw lint en een zwart satijnen mantel met kap, gevoerd met oranje zijde.

Het stuk was breed geschilderd en met veel talent, ja met een vonk van genie. Het waren niet alleen de uitwendige trekken — die altijd eenigszins gemaskerd zijn — voor het gelaat, die hierop waren afgebeeld, maar het was alsof de onbekende schilder zijne penseelen in de ziel van het oorspronkelijke had gedoopt en met de diepste verven en tinten uit haar hart het afbeeldsel vervaardigd. Met die tinten had hij de geheimste trekken van haar karakter geteekend , en die slechts licht en dun overdekt, juist even genoegzaam om de toen levenden wel te doen nadenken, doch hun geen aanstoot te geven (de schilder had in haar karakter een hevigen hartstocht ontdekt), en wel wetende, dat de tijd, de dunne verflaag afvretende, later met grootere waarheid zijn portret zou voltooien.

Wondervolle, geheimzinnige kunst! Zonder dat ik van dit alles toen reeds bewust was, bezat het portret altijd eene geheimvolle aantrekkelijkheid voor mij, en in de schemeruren na den maaltijd nam ik dikwijls de gelegenheid waar om mijn vader te ondervragen.

— Wel, antwoordde mijnheer van Nijwoude, er was eens iemand die zeide; ik wou dat ik zijn kop had en er soep van kon koken! raad eens wie dat 'zeide . . .

— Natuurlijk een kok of een slager die van een kalf of varken sprak, zei mijne moeder, want het was juist in den slachttijd en hare gedachten waren daarmede vervuld.

— Neen, zei mijnheer van N. . bedenkelijk het hoofd schuddende — de kop waarop die woorden doelden, was die van een mensch, een christenmensch, en wel van een dominee.

Ik dacht terstond aan de Kannibalen, waarvoor Robinson Crusoë en ik met hem, eens zoo geschrikt was, en ik opperde de veronderstelling, dat het misschien een van die heeren was, die dit gezegd had.

— Neen, zei mijnheer van N. . . weer bedenkelijk knikkende, de persoon die deze woorden sprak, was ook een christenmensch, ja zelfs eene vrouw — het was — tante. En hij wees naar het bewuste portret.

— O, dat is het! dat is het! riep ik op eens uit, dat is dat wonderlijke en onbegrijpelijke van hot gezicht! Nu weet ik eindelijk wat het is! Yader, heeft de schilder dat geweten, heeft hij die woorden gekend?

— Heeft de schilder die woorden gekend, zei mijnheer van N. .

Sluiten