Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hevenste van alles is, wat zij tot nog toe heeft aanschouwd, prijst ze zich gelukkig, o, zoo gelukkig. Maar ze laat er op volgen: „En toch zie je.... toch vond ik 't de eersto keer nog enger, nog veel ontzettender. Van daag heb ik niet zó hevig als toen dat gevoel van maar 'n stofje te zijn in al 't grootse... van haast te sterve door de verschrikkelikheid."

„Het nieuwtje is er al af; watP"

Hendrik zegt 't zacht en 't is hem zelf, of zijn woorden niet alleen het landschap gelden.

Maggie beandtwoordt ze niet; maar zodra ze Andermatt binnen zijn gereden, geeft ze 't Hendrik toe, dat er weinig aan deze plek te zien is.

„Nee ... 't is waar... dat breje dal, haast zonder bome... met niks dan weie en die saaie bergbobbeltjes, helemaal met gras begroeid... hè, nee. .

Hij wijst haar wel op eigenaardige, oude, houten huizen aan de nauwe straat, op de windingen van de Oberalp-weg links, op het verafrechts rerrijzende torentje van Horpenthal, maar ze toont geen belangstelling meer, ze hunkert naar 't oogenblik, dat ze haar hoge ongemakkelijke zitplaats kan verlaten. Ze wil ook eten; doch voor het eten wenst ze even naar het Italiaanse vruchtenwinkeltje te gaan, in het voorbijrijden opgelet. Ze wil nespole koopen en haar beetje Italiaans luchten. Met een zakjevol van de gele vruchten naar het hotel teruggekeerd gaat ze dadelik in de eetzaal aan een tafeltje zitten. Ze kan heus niet langer wachten, zo flauw voelt ze zich in die hoge, fijne lucht. Maar ligt eindelik het vlees op haar bord, dan gaat het gelijk op de Pilatus; ze eet er de helft van, legt vork en mest op de rest, verklaart zich voldaan en vraagt om wijn. En gelijk op de Pilatus wekt de wijn haar weer op, weidt ze poosje uit over al de schoonheden van de weg. Maar de opwinding duurt kort. Als Hendrik, niet in staat zich te verheffen boven de neerslachtigheid, die zijn kregeligheid is gevolgd, slechts weinige, matte woorden uit, zwindt ook haar zwakke vervoering, zwijgt ze weldra stil. Nog even duwt ze hem op een zonderlinge, haast minachtende toon toe:

„Hè, hoe kan je die dasspeld met dat lapislazuli klaverblaadje toch aandoen? Draag er dan liever in 't geheel geen."

Stroef antwoordt hij:

„Te ordinair?... Je zult er toch aan moete wennen... al draag ik 'm niet alle dag. 't Is nog 'n aandenke van 'n vrind in Indië, die aan de cholera gestorven is."

Dan verzinkt Maggie geheel in een wakend dromen. Al dooretend laat Hendrik zijn blik herhaaldelijk haar overdwalen en telkens hindert hem van haar lichte ogen het leeg gekijk. Er ligt een onverschilligheid, een verveling in, die hem zich af doen vragen: waarom gaat ze dan mee . . . waarom bedelt ze zelfs om zulke toertjes, als ze er bij slot van rekening toch zo weinig pleizier in heeft?

Sluiten