Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O diepgezonken vorstenstad!

Eer ooit mijn voet uw grond betrad,

Kende ik alleen u in uw luister.

Gij scheent mij als een ster in 't middeleeuwsche duister, Welhaast een dageraad, welhaast een helle zon,

Die daagde in 't neevlig west en d'ouden nacht verwon.

Ik zag uit uwen wal de Christen ridderscharen Ten optocht naar het graf des Zaligmakers varen,

En dragen er den roem van Vlaandrens krijgsbanier,

En wijzen aan het Oost den weg naar uwe haven Ik hoorde gansch Euroop de faam uws handels staven, En noemen u een ander Tyr!

Ik zag den glans der oosterpracht In uwe muren aangebracht,

Te zamen met de kennisgaven,

Die 't Oosten had bewaard van vroeger volksbeschaven.

Ik zag de Ylaamsche vlijt, waar nijverheid uit sproot,

Haar wondren en haar weelde ontwikklen in uw schoot.

Ik zag de scheppingskracht, waarop de kunsten bogen, Die weelde en wondren met haar hemelglans verhoogen. 'k Bewonderde in uw zoons wat hun vernuft bestond; En 'k zag een koningin haar nijd niet wederhouen,

Omdat zij in den stoet van uw volschoone vrouwen Een stoet van koninginnen vond!

Maar 't voorwerp mijner hoogste vreugd Was 't schouwspel uwer mannendeugd,

Bij wie de vrijheid werd aanbeden Naast 's land aanbeden taal, de spiegel van 's lands zeden; Te zien hoe elke hoon, die beiden aangedaan,

Uit eiken uwer zoons een krijgsman deed onstaan;

Te zien hoe 't krachtig sein van een paar Vlaamsche woorden, Die de overweldigers gelijk een donder hoorden,

Aan 't glorierijkste feit van Vlaandren aanzijn gaf;

Hoe, op het wraakgeroep van uwe burgerhelden, De krijgsraoed van den lande ontblaakte in Kortrijks velden, En schonk er Frankrijks macht een graf!

Ja dan, dan werdt gij hoog geroemd En Vlaandrens puiksieraad genoemd:

Dan hieft gij in de westerwereld Uw kloeke stedekroon, met majesteit ompereld. Als rijksvorstin omhoog, en niet een handelstee In 't oude Euroop, die u geen zusterhulde dee.

Sluiten