Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is hij heerenknecht geworden, en van dit stieltje krijgt men ook geen weeren in handen. — Maar wat aardig raadsel gaf hij ons daar op? Verstaat gij, wat het beteekent?"

„Och, het is gemakkelijk om te raden," antwoordde de eerste; „hij wil zeggen, dat hij den Baas op den nek zit en hem uitzuigt, gelijk de paddestoel den kerseboom. Kom, kom, laat ons nu maar voortdorschen!"

C. Uit: DE BESTEDELING van Jan van Beers.

De Verpachting des Armen.

Nogmaals dacht hij, gelijk

altoos, bij 't koesterend haerdvuur,

Onder den mantel der schouw

een genoeglijken avond te slijten ,

Koutend van oogst en weer,

en al wat den dorpeling aanlokt;

Of, in dommlig gepeins,

nastarend de blauwende wolkjes,

Die 't zachtwallende voêr

in den ketel zoo vriendlijk omkronklen; Doch, nauw had hij de klink

van de deure gelicht, of daar sloegen Tabakswalmen on woelig

geraas van stemmen hem tegen.

„Wat is er hier toch gaande?"

zoo vroeg hij den Baas, toen hij eindlijk Door 't luid-pratend geboert

tot zijn plaatsken bij 't vuur was gedrongen. „Wel," was het antwoord, „Heer,

't is heden verpachting des Armen; Aanstonds gaat men aan gang."

Doch de Schilder: „Verpachting des Armen! Wat dan wordt er verpacht P"

En de Baas, dom-lachend; „O kijk toch! Gij stadshoeren, ge weet

Maar niets van onze gebruiken!

Ziet ge die kinderen, recht,

langshenen den muur op de bankef En die grijsaards, links?

Welnu die gaat men verpachten."

Sluiten