Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Kindren en grijsaards! hoe?"

— „Ja, Heer, voorzeker, voorzeker!

't Is zoo 't oude gebruik.

Het Bestuur van den Arme besteedt die Uit bij den boer. Voor wie

nog niets, of niet meer kan verdienen,

Geeft het de pachtsom gansch;

om de anderen veilen de pachters Tegen elkaar; zoodat

de bestedeling blijft aan dengenen,

Die hem voor 't laagste gebod

een jaar lang wil onderhouden.

Is hij krachtig genoeg ...

maar zie! daar gaan ze beginnen!"

En, inderdaad, nu steeg

de Armmeester, te midden der kamer,

Deftig en langzaam op

zijnen stoel; en, stilte gebiedend,

Deed hij den pachteren kond,

dat hij aan wou vangen met veilen. Plotselings viel dan ook

het gerucht. Zij schaarden wat dichter Om d' uitroeper zich heen,

die éénen der ouden op tafel Klauteren deed, waar elk

hem met volle gemak kon beschouwen.

Zwijgende zat in zijn hoek

intusschen de Schilder, en staarde Op dit vreemd tooneel,

dat gehuld was in nevels van tabak, En maar ten halve verlicht

bij den wagglenden glans van een roetkaers, Welke zoo even de Baas

had op d' eikenen blaker ontstoken.

„Kindren en grijsaards.... God!"

zoo dacht hij, terwijl hij zijne oogen Droef liet dwa'en van de een

naar de andere zijde der kamer;

,Heilige zwakheid, die liefde

alleen steeds diende te schragen,

Zóó door domheid ten prooie

gesmeten aan hartlooze hebzucht!...

Sluiten