Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op zijne knieën zat het

En speelde met zijn ring Of met de gouden keten, Waaraan zijn uurwerk hing.

En vader lachte, en moeder

Zei, dat hij 'tkind bedierf. — De koorts kwam in de woning: Het kleine meisje stierf.

Toen gaarden zij zijn kleedjes

En 't kinderspeelgoed op: Een paar versleten schoentjes, Een valhoed en een pop.

Daar lag 't gesloten grafje,

Daar stond het kleine kruis, En vader zat bij moeder, En 't was zoo stil in huis!

En lange, lange jaren

Zijn sedert heengegaan, En andre houten kruiskens Op kindergrafjes staan.

Nu was 't hun gouden bruiloft;

De gasten waren heen,

En do oude vrouw zat weder Met d'ouden man alleen.

Alleen na vijftig jaren.

Waaraan dacht de oude man? Wat dacht zijne oude huisvrouw ? .. Daar spraken zij niet van.

E. HET LIEDJE MIJNER KINDSHEID.

VAN VlRGINIE LOVELING.

Wat in de kinderjaren

Het harte boeit en tooit,

Blijft eeuwig in 't geheugen, En men vergeet het nooit.

Als men 't eenvoudig liedje

Yan mijne kindsheid zingt, Dan denk ik aan de liefde, Waarmede ik was omringd, —

Dan denk ik aan de stemme, Die 't liedje klagend zong, Wanneer de zonne daalde, Wanneer het maantje blonk;

Wanneer de sterren schenen, Wanneer de zwaluw zweeg, En alles op den buiten In zachte sluimring zeeg.

Het lied weerklonk zoo troostend

In halve duisternis,

Geljjk de zucht van 't windje In 't hangend waterlisch.

Het wiegde 't harte in ruste,

Gelijk het zoet gezang Van 't klokjen in de verte Bij zonnenondergang.

O zachte en stille tonen!

Gij hebt mij vaak ontroerd En in vervlogen dagen Van heil teruggevoerd.

O oud, eentonig liedje,

Hoor ik u thans niet meer, Toch klinkt gij in mijn harte Zoo helder als weleer!

v. Schothorst. II.

21

Sluiten