Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE TIJDVAK (1880—heden).

INLEIDING.

Zagen we in een vorig hoofdstuk (VI) reeds, hoe onder de tweede generatie der „veertigers" enkelen opstonden, die als scheppend kunstenaar of criticus hun eigen weg trachtten te gaan, in dit tijdvak zien we een groep jonge mannen met groote zelfbewustheid en niet geringen overmoed den strijd aanbinden tegen al wat sleur was en conventie, nieuwe theorieën orer schoonheid en kunst verkondigend, maar tevens ook door hun scheppingen aantoonend, dat zij iets meer konden dan afbreken alleen.

Hoe ook aanvankelijk verkeerd begrepen, gehoond en bespot, de mannen Tan tachtig — zoo genoemd, omdat hun eerste optreden omstreeks 1880 plaats had — hebben het pleit gewonnen, en zij of hun navolgers zijn thans de toonaangevende critici geworden. Nu de hitte van den strijd bekoeld, de kruitdamp weggetrokken en de lucht weer helder geworden is, zal ieder onbevooroordeeld beschouwer onzer letterkunde hun dankbaar zijn voor 't geen zij hebben gedaan voor de rechten van de kunst, en de verrijking onzer moedertaal

Bizonder vruchtbaar is dit nog niet afgesloten tijdvak reeds geweest: nog nooit is na Vondel onze letterkundige kunst zoo hoog gestegen; de tijd zal echter leeren hoe lang deze bloei zal blijven toenemen, en hoe kort het wellicht maar duren zal, totdat door zwakke navolgers de kunst weer wordt „verstelseld" en de critiek tot een handwerk verlaagd. Al wijzen reeds enkele

Sluiten