Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.

O! 't ruischen van het ranke riet! o wigt ik toch uw droevig lied! wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert, gij buigt, ootmoedig njjgend, neêr, staat op en buigt ootmoedig wcêr, en zingt al buigen 't droevig lied, dat ik beminne, o ranke riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe dikwijls dikwijls zat ik niet nabij den stillen waterboord alleen en van geen mensch gestoord ,

en lonkte 't rimplend water na, en sloeg uw zwakke stafjes ga, en luisterde op het lieve lied, dat gij mij zongt, o ruischend

riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe menig mensch aanschouwt u niet en hoort uw' zingend' harmonij, doch luistert niet en gaat voorbij! voorbij alwaar hem 't herte jaagt, voorbij waar klinkend goud hem plaagt; maar uw geluid verstaat hij niet, o mijn beminde ruischend riet!

IJapx poSacvov $ovotK%x *).

Hom. II. XVIII, 576.

Nochtans, o ruischend ranke riet, uw stem is zoo verachtlijk niet! God schiep den stroom, God schiep uw

stam,

God zeide: „Waait!..." en 'twindje

kwam,

en 't windje woei, cn wabberde om uw stam, die op en neder klom! God luisterde ... en uw droevig lied behaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet, mijn ziel misacht uw tale niet, mijn ziel, die van den zeiven God 't gevool ontving, op zijn gebod, 't gevoel dat uw geruisch verstaat, wanneer gij op en neder gaat: o neen, o neen toch, ranke riet, mijn ziel misacht uwe tale niet!

O! 't ruischen van het ranke riet weêrgalleme in mijn droevig lied, en klagend kome 't voor uw voet, Gij, die ons beiden leven doet! o Gij, die zelf de kranke taal bemint van eenen rieten staal, verwerp toch ook mijn klachte niet: ik! arme, kranke, klagend riet!

C. O GULDEN HOOFD.

o Gulden hoofd der blijde zonne, volheerlijke, altijd nieuwe bronne

van levenskracht; wie heeft u in die blauwe streken het brandend voetspoor uitgestoken en voorgedacht?

Gij staat des morgens op, beneden 't bereik van sterfljjke oogenleden;

en, rijzend, dan verblijdt gij mensch en dieren boomen; en 's avonds laat gij los de toornen van uw gespan.

1) Bij 't beweegbare riet.

Sluiten