Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. MODERN PROZA.

Zagen wij, dat de moderne dichters over 't algemeen uitgaan van hun eigen innerlijk bestaan, dat zij zoo zuiver mogelijk in technisch goed verzorgde verzen trachten weer te geven, het moderne proza gaat uit van de zichtbare wereld buiten den schrijver, die de werkeljjkheid zooals hij die met zijn kunstenaarsoog ziet, voor den lezer zoo juist mogelijk tracht te schilderen. De moderne dichter en de moderne prozaïst zijn dus beiden realisten, de eerste echter realiseert zjjn eigen gevoelsleven, de tweede het leven om hem heen; het werk van den eerste noemt men wel vislonnair, dat van den tweede naturalistisch. Beiden stemmen hierin overeen, dat zij waar, reè'el willen zijn, dat zij het zelf-doorvoelde, zelf-gevondene stellen boven het traditioneele, algemeen-gangbare. Vandaar dat zij aanvankelijk, hoe zeer zij mogen verschillen, zich in eenzelfde tijdschrift uitten, tot elkaar gedreven als zij waren, door een gemeenschappelijken strijd tegen sleur en conventie, en een zelfde streven naar oorspronkelijkheid van uitdrukking. De eerste prozawerken dragen over 't algemeen een critisch of strijdlustig karakter. Eerst langzamerhand traden de prozaïsten niet langer uitsluitend critiseerend, afbrekend, betoogend of bespiegelend op, maar schiepen zij zelf werken, gebaseerd op de nieuwe kunsttheorieën, waarvan de Fransche naturalisten als Zola, hun leermeesters waren.

Onder de critici, die met scherpen en juisten blik schiftten en keurden, en in eigen, oorspronkeljjken stijl hun denkbeelden wisten te uiten, neemt

Willem (Johan Theodoor) Kloos (geb. 1859)

dien we reeds als dichter leerden kenneu, een eerste plaats in. Scherp, spottend, ironisch, maar vaak ook vurig bewonderend, dikwijls van een verrassende juistheid, niet altijd vrij van onbillijkheid zijn de, in krachtig, oorspronkelijk Nederlandsch door Kloos

Sluiten