Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijn ziel, en den wil in zijn hand, en den kus op zijn voorhoofd draagt.

Maar — het schijnt soms, alsof er op onze Nederlandsche literatuur een anankè weegt, die haar onder houdt, tot zij te stikken meent, en haar onmiddellijk ternedervelt, als zij in een onvoorzien oogenblik het hoofd een wijle dreigt op te steken tot vrijere en frisschere levensuiting. Onze geschiedenis van de laatste 50 jaren zou als doorloopende commentaar op deze bewering kunnen dienen. Stilstand is ook hier achteruitgang Onze jongste dichters treden deemoedig in het spoor der ouderen, onze ouderen zijn teruggevallen van hunne veroveringen, omdat zij de stroomingen der eeuw aan zich lieten voorbijgaan, met gesloten oogen en verachtende lippen, en do fataliteit des doods rukt weg, wie een krachtiger stoot aan den tragen gang der dingen te geven, en met stoutere vlucht banen scheen te zullen kiezen, die nog geen vroegere voor getrokken had. Do Génestet weck, toen het vaderland een nieuwe periode van zijn dichterlijke loopbaan kon verwachten, en hij, wien» naam op andere wijze aan het hoofd dezer regelen had moeten prijken, werd weggenomen toen hij genoeg gedaan had voor de belofte, maar voor de vervulling werken ging. Zij het mij dan vergnnd in weinige woorden uiteen te zetten, wat die belofte inhield — gelukkig kan ik er bijvoegen, ook wat zij reeds vooruit gegeven heeft. Wilt het niet beschouwen als een hulde, als een krans, niet als een enkele bloem slechts op het ontijdige graf van een hoop, die vernietigd is, maar als een blik van weemoed op het rijzende licht, dat zijn hoofd maar al te spoedig weer ging verschuilen onder do kim, als hadde men een nieuw bewijs noodig, dat het woord des dichters nog altijd niet te schande is gemaakt:

„Was gut und grosz und schün

Das nimmt ein sclilechtes Ende."

Toch niet slechts van weemoed — ook van hoop: want de slag die hem trof, moot ons het teeken zijn, dat tot opstand roept: en dat er een verlies te beweenen valt, geeft bewijs, dat wij niet beboeven te wanhopen , dat redding mogelijk is uit de banden der geesteloosheid en traditioneele middelmaat.

En nogmaals niet van weemoed alleen — zoo ooit de droombeelden van de edelsten en besten uit den lande zich zullen verwezenlijken, zoo ooit ons volk een literatuur zal bezitten, die op gelijke lijn kan gesteld worden reet die van de andere oudo en nieuwe volkeren, dan zal zijn naam met eerbied worden genoemd, als van een voorganger, die den triomf zijner eigen richting niet heeft mogen beleven, als van het offer, dat vallen moest, om de zielen te wekken uit den verlammenden sleur der gewoonte en der alledaagschheid.

V. S( 1I0T110RST. II. 23

Sluiten