Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid werd aangetrokken en Eline zat dan ook steeds aan tafel tusschen Otto en Fina. De oude mevrouw Yan Erlevoort zat tusschen hare twee kleinste kleinkinderen, de jongste van Théodore, Edmée of Memée en Kitty Howard, do eenige van haar Engelschen schoonzoon, en toen zij een langzamen blik over de lange tafel, stralend van jeugd en vroolijkheid, weidde, scheen het haar toe, dat er niemand op de wereld gelukkiger kon wezen dan zij met hare grijze haren en haar jong hart.

Na het ontbjjt sloeg Théodore voor een tocht te maken naar den zoogenaamden „dikken boom," want hij beweerde, dat onder vele dikke boomen van Gelderland, die hunne, die van de Horze, volstrekt niet de minste was. Hij zoit met Howard, Etienne en Cor wandelen; Eline en Otto voegden zich bij hen en de kinderen, zelfs Memée en Kitty, bestormden, onder de hoede der drie meisjes, den reeds aangespannen tentwagen.

Door de eetkamer scheen een orkaan gewoed te hebben. De stoelen stonden schots en scheef. De tafel was één wanorde van borden en glazen; servetten slingerden op den grond met een hoed van Tina,een schop van Nico en een bal van Mémee.

— Is het u heusch niet te druk, mama? vroeg Truus, terwijl zij mevrouw Van Erlevoort, nog aan de ontredderde ontbijttafel gezeten, zuchtende bij de hand nam. Waarlijk, ik ben soms zoo bang; de kinderen maken zoo een verschrikkelijk leven, het is een verademing als ze weg zijn.

— Ik ben soms al wanhopig over mijn viertal, Truus! sprak Mathilde; maar behalve Cor, die zich langzamerhand gaat voelen, zjjn die van jou toch ook nog al woelwaters.

— Maak je niet over mij ongerust, Truus! sprak mevrouw. Ik doe den heelen winter niets anders dan naar den zomer en do Horze verlangen, en het doet me goed bij jullie te zijn. Ook viud ik het lief, dat je Eline gevraagd hebt.

Voor het volgende jaar, wanneer ze getrouwd zijn, heb ik ze al gevraagd bij ons in Londen te komen, gedurendo den season, sprak Cathérine. Ik mag haar heel graag.

De jonge mevrouw Van Erlevoort zag een weinig bedenkelijk voor zich, terwijl zij een servet opvouwde.

— En jij, Truus? vroeg haar schoonmoeder, wie dit opviel. Jij mag haar toch ook graag?

— Ach, wat zal ik zeggen, maatje; ik ken Eline nog zoo weinig. Ik vind het heel lief van haar, dat zo zich geheel en al schikt naar onze gewoonten, naar onze leefwijze, en dat ik mij dus niet als voor een vreemde te geneeren heb; daar zoü ik het te druk voor hebben. Dat vind ik zeker lief in haar. Maar u weet, ik loop niet zoo dadelijk weg met iemand.

Sluiten