Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der bleek-bolle wangen Ze kneep ze mot kracht, nauwljjks een kier latend waardoor het licht naar binnen mocht sluipen. Ze lei verscholen in den ouwen leunstoel, de vingers in het versleten trijp gewroet. Ze kneep den stoel en kneep hare oogen. Ze kneep ook haar lippen soliede tezaam, dat de velrimpels om den mond strakten, allemaal scherpe sneedjes die naar den neus zigzagden en het wangenpap leken te doorstriemen.

Tante Door, achter den leunstoel, keek alsof zo ver in de zoe 'n geolvlammende zon zag ondergaan en het bijten der lichtstralen niet kon verdragen. Heel haar spichtig ouw-vrouwe-snuitje, liep te hoop om den mageren neus. D'r oogen liepen naar den neus, d'r kooncn dribbelden naar den e;us, de kin heup-sjokte naar den neus. Haar gelaat geleek een relletje van kakelende menschen met een expliceerende meneer in het midden. Die meneer was do neus. En alsof die meneer 'n verhaal deed van vermoorde dienstmeisjes en inbraak bij nacht, knipperden de oogen van pure ontzetting. Maar met dat al, dee héél haar snuitje alsof er 'n gemeen-stekendo ondergaande zon in do buurt was.

Serre, bij de kachel, verdroeg do historie anders. Die zat te lachschuddebuiken dat do tafel meê-schuddebuikte en de glazen zachjes over 't tafelzeil schoven. Ze lachte en knipperde. Ze knipperde minstens zoo sterk als Rebecca en Door, ze knipperde met dikke oogleden in 'n klein sprottengclaat, waarop 't poneyhaar van de weromstuit danste als een losgespannen tullen gordijntje wen de wind blieft te puffen. Ze knipperde stevig, doch hield de hand boven de brauwen, klaar om het handdeksel neêr te flappen as 'r 'n ongeluk gebeurde.

Oom Bennie, diep-teruggeleund in den anderen leunstoel, had z'n pijp in de hand, keek met één bibberend, schokjesspuwend oog. 't Tweede hield-ie gesloten zoo plat en gewrongen, dat 't ooglid als 'n verdord erwte-pelletje verpropt lei. 't Qof 'n algemeene rimpeltrekking in z'n gelaat. De linkerwang builde angstig op, de rechtermondhoek trok zurig omlaag in de bruine stoppels van z'n weekbaard.

Oom Jozef, klein week manneke, met 'n aanvettend hangbuikjo, 'n schommelenden gouden horlogeketting, 'n stel bleeke, weeke handen met veel zware gouden ringen, neeg eveneens achterwaarts. Z'n oogranden waren rood en ontstoken, leken rooder, ontstokener achter het vet-glimmend, gouden lorgnetje. Oom Jozef knipperde langzaam, knipperend als iemand die wel wéét dat z'n oogen beveiligd zijn voor spattingen en ontploffingen, maar toch voor alle zekerheid èn gesuggereerd door zooveel geknippor rondomme, de knipper-spieren in gereedheid houdt om de blinden er voor te doen als 't buitensporig wordt.

I)e laatste — Sam — een plus vijf is zes — trachtte z'n geknipper te beheerschen, was de oorzaak, de heroïsche oorzaak van het geknipper. De schaar in z'n hand wurmde voorzichtig tusschen de ijzerdraadjes, bang om mis te steken. Hij peurde met onsekure hardnekkigheid, wrikte van links naar rechts, tammeties morrlend zonder positief het

Sluiten