Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden voldaan. Men kan de Vertegenwoordiging niet in de werkplaats van de ministrieele voorbereiding van wetten leiden. Ik vraag, Mijne Heeren, hoe de Minister zich over zoo menig punt zal kunnen uitdrukken om duidelijk te maken welke nu eigenlijk de stand van het werk zij? Ik vraag: wat zal de Vertegenwoordiging daarmede zijn gevorderd? Kan het aanleiding geven tot discussie? Ja, de geachte spreker zou die discussie wel wenschen; hij zou de wet met discussie willen vooruitloopen zooals de voordracht van wet waarschijnlijk door eene uitvoerige discussie van zijne zijde zal worden gevolgd. Ik zal het laatste gaarne zien; — maar vooruit te loopen, een nog niet gereed, nog niet gedaan voorstel van wet hier aan beraadslaging te onderwerpen, mij dunkt, het ware tijdverlies.

De geachte spreker heeft bij die gelegenheid eene uidrukking, vroeger door mij gebezigd, aangehaald, dat namelijk het initiatief der schepping bij de Regeering moet zijn. Hij heeft goedgevonden, die uitdrukking zóó uit te leggen, alsof daarmede was bedoeld, dat de Regeering hare hoofdbeginselen, hare leidende gedachten in deze Kamer moest brengen om die beginselen later uit te werken. Mijne Heeren, ik geloof dit ware van de Vertegenwoordiging te veel gevergd. De Minister moet haar een uitgewerkt ontwerp van wet voorleggen en de StatenGeneraal daarna laten beslissen. Ik geloof ook dat de discussie over die algemeene beginselen in den regel geene uitkomst zou opleveren. Bij die algemeene beginselen, zoo of zoo uitgedrukt, zal van de uitwerking in den regel het meest afhangen. Ik weet wel dat de geachte spreker ons altoos van het terrein van doen, van voortgaan, op dat van discussie over algemeene beginselen wil terugbrengen, maar juist omdat het de roeping der Staatsmachten is te handelen, meen ik, dat de Vertegenwoordiging het terrein der bespiegeling zoo min mogelijk behoort te betreden.

Ten slotte, Mijne Heeren, komt mij bij deze bedenking, bij deze woorden van den geachten spreker over de wet tot regeling van het onderwijs, opnieuw de gedachte tegen, die ik vroeger heb ontmoet, en waar ik nooit voorbij kon: hoe is het te rijmen met de denkwijze van den spreker over het politiek karakter van den Minister van Binnenlandsche Zaken, dat hij, zoolang die Minister aan het bewind is, op eene wet tot regeling van het onderwijs aandringt. De geachte spreker moet de zaak omkeeren; hij moet van dezen Minister van Binnenlandsche Zaken geene wet op het onderwijs wachten of willen, vooral zoo het waar is, hetgeen de geachte spreker zeide, dat de Regeering ondersteund wordt door eene groote meerderheid in de Vertegenwoordiging, want dan dreigt die Minister, zoo hij zijn wetsontwerp ten aanzien van het onderwijs indient, met een groot ge\aar. De geachte spreker heeft vroeger betoogd dat het onmogelijk was, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken een ontwerp van wet op het onderwijs voordi'oeg, met

Sluiten