Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen men daarboven had geplaatst. Hetgeen men er boven had geplaatst is om de papieren te kenmerken goed, maar als titel niet eigenaardig. Mijn verzoek is, dat de Vergadering gelieve goed te vinden dat die titel worde veranderd. Hij luidt nu: Ontwerp van Wet omtrent de onteigening van perceelen voor de verlenging van den spoorweg van Arnhem lot de Pruisische grenzen. Van onteigening van perceelen is hier nog geen sprake, üe naam zij aldus: Ontwerp van Wet, verklarende het algemeene nul der verlenging van den spoorweg van Arnhem lot de Pruisische grenzen. Dit drukt, zoo ik mij niet bedrieg, het wezen van het ontwerp uit.

Ik kome in de tweede plaats tot hetgeen geachte sprekers tegen of over het ontwerp hebben in het midden gebracht.

De eerste spreker meent, dat art. 1 in te veel bijzonderheden is getreden; of dat, zoo niet in te veel bijzonderheden getreden is, die bijzonderheden niet genoegzaam zijn toegelicht.

Ik zal antwoorden op het eerste lid van dit dilemma: „de wet treedt in te veel bijzonderheden," hetgeen in de Memorie van Beantwoording is gezegd. Waarom zou men er niet in treden? Zoo ik overtuigd ben, dat de hoofdpunten, zoo als zij in het ontwerp zijn opgegeven, de hoofdpunten van den weg zullen blijven, waarom zal ik clan niet, door volledige opnoeming van die hoofdpunten, het werk op de meest duidelijke wijze voer het publiek en voor de Vergadering karakteriseeren? Ik heb geen de minste reden om dit niet te doen, maar verbind mij niet op dezelfde uitvoerige wijze ieder volgend werk te kenmerken. Indien ik het hier niet gedaan, en minder hoofdpunten opgegeven had, dan van wier vaststelling voor goed ik mij overtuigd hield, zou men mij te recht kunnen tegenwerpen: „Gij hebt niet gedaan wat gij kondt, gij hebt het werk niet voorgesteld zoo als het met een reeds bepaald voornemen van uitvoering door de Regeering ontworpen of goedgekeurd was." Ik geloof dat de mate van hetgeen men in het ontwerp van wet heeft te geven of niet te geven, afhangt van den aard van het werk en van den stand van het onderzoek op het oogenblik, dat het ontwerp aan de Vergadering wordt ingediend. Hier is nu het werk van dien aard, dat het gedoogt dit uitvoerig te doen; het onderzoek is zoo ver gevorderd, dat men niet meer twijfelt, en waarom zou de Regeering nu niet in de wet opnemen wat niet twijfelachig meer voorkomt? Te geven in dit opzicht wat men kan, is mij toegeschenen zeer te strooken met art. 10 der algemeene wet, regelende de onteigening, over welk artikel ik straks nog een woord zal moeten zeggen. Art. 10 vordert, zoo ik mij niet bedrieg, dat het werk, de richting, dé gestalte van het werk worde voorgesteld zoover het mogelijk is.

Indien, zegt de geachte spreker, en dit is het andere lid van het dilemma, indien zoo vele bijzonderheden noodig zijn of in de wet te pas komen, dan zijn zij niet genoegzaam toegelicht. Zoo nu de geachte spreker thoebecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 3

Sluiten