Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus mogelijk, dat, met het aankomen van het werkseizoen, ook hetgeen nu nog van de zijde der commissiën en der Regeering moet gedaan worden, gereed zal zijn. Dan volgen wellicht rechtsgedingen. Ja, wie kan berekenen, hoe lang deze zullen duren? Ik durf niet verzekeren, Mijne Heeren, dat een proces binnen een bepaalden tijd zal afloopen. Doch ik wenscli te doen opmerken, dat men, bij de algemeene wet tot regeling van de onteigening, de orde van de rechtspleging aldus heeft trachten te regelen, dat men, zooveel als de wetgever dit kan, bekortte; en nu zal, zoo er processen volgen, deze de eerste proef wezen, in hoeverre de wetgever daarin is geslaagd. Ik durf hierover niet meer zeggen; ik moet, gelijk de Vergadering, die proef aannemen en afwachten, en wacht ze zonder ongerustheid af. Daarentegen ben ik hoegenaamd niet gerust op het punt, waarop de geachte spreker schijnt te rekenen, dat men namelijk, bij de onteigening, het publiek boven het particulier belang zal stellen. Bij de onteigening voor den aanleg van den Hollandschen spoorweg en van den Rijn-spoorweg tusschen Amsterdam en Arnhem heeft men dat niet gedaan zegt de geachte spreker. Ik wil hopen dat men het nu zal doen; maar ik reken er hoegenaamd niet op. Ik reken wel op den publieken geest van de massa en van het volk, maar ik durf niet aannemen, dat de individuen, welke de onteigening zal treffen, in dit bijzonder geval, het publiek belang zoo algemeen boven het eigenbelang zullen stellen, dat daardoor eene spoedige onteigening zal worden bevorderd. Ik zou er meer op durven rekenen dat, nu de algemeene wet eene spoedige beslissing mogelijk heeft gemaakt, daardoor alles wat bij vroegere gedingen zoo dikwijls vertraging heeft veroorzaakt, zal worden afgesneden, en dat men, in het vertrouwen op de eenvoudige en snelle rechtspleging, liever in minnelijke schikking omtrent de te verleenen schadeloosstelling treden zal, dan het laten aankomen, op een proces, dat minder gunstige resultaten zou kunnen opleveren.

In de derde plaats, ben ik nog verplicht een enkel woord te zeggen van het Eindverslag, om misverstand te voorkomen, waar ik het van mijne zijde kan. In dat verslag zijn, niet ten aanzien van het ontwerp van wet, maar van de gewisselde stukken door de commissie drie opmerkingen gemaakt.

Ik erken, dat het mij verrast heeft in het Voorloopige Verslag, en nu opnieuw in het Eindverslag te zien, dat ik de grens van de werkzaamheden der Kamer te nauw zou willen beperken. Ik dacht te goeder trouw eer te veel te hebben gegeven, meer althans dan de Kamer aan haar onderzoek zou willen onderwerpen. Ik bedoelde eene historischkritische opheldering van den aanleg en van den loop dien de weg zal nemen. En waartoe dit aan de Kamer aangeboden? Opdat zij te beter kunne nagaan en beoordeelen datgeene wat haar zou voor-

Sluiten