Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meester zitting neemt? Het gemeentebestuur lieeft het provinciaal bestuur geraadpleegd, en dit heeft de vraag aan mij gericht; en ik heb geen oogenblik geaarzeld, te antwoorden op dezelfde wijze, als ik in dergelijke gevallen — het is niet het eerste dat voorkomt — heb gedaan. Ik heb aan het provinciaal bestuur geantwoord: „dat lid, zwager van den nu benoemden burgemeester, zal moeten wijken." Dit is het stelsel der gemeentewet, overeenkomstig met dat der provinciale wet. Het stelsel der provinciale wet — en de arikelen der gemeentewet te dien aanzien zijn gelijk aan die der provinciale wet — het stelsel der provinciale wet is in de Memorie van Toelichting bij dat ontwerp, op art. 51, zeer duidelijk verklaard. Daar leest men: „het verbod van verwantschap ook tuschen den voorzitter — Commissaris des Konings — en de leden is hier, doch niet in het hoofdstuk van den koninklijken Commissaris vernield, ten einde de Regeering in het benoemen van dezen ambtenaar niet te beperken. Het zal bij gevolg vrijstaan tot commissaris ook hem aan te stellen, die een der leden van Gedeputeerde Staten in den aangewezen graad van bloed- of aanverwantschap bestaat. Dit lid zal dan voor den Commissaris moeten wijken." Geheel in hetzelfde stelsel is de gemeentewet ontworpen; en voor die vrijheid van keuze des Konings schenen bij deze wet nog veel meer redenen te bestaan, dan ten aanzien van den commissaris in eene provincie. In kleine gemeenten, bijv., zou het soms zeer moeilijk, soms onmogelijk zijn — de Koning pleegt zooveel mogelijk ingezetenen der gemeenten te kiezen — den burgemeester te vinden, zoo men eerst vragen moest: Zit er in den Raad wellicht een zwager of bloedverwant, die niet met den te benoemen burgemeester te gelijk lid mag zijn? Ik heb derhalve geantwoord: ,,de Koning is vrij ten aanzien van de benoeming; de Koning heeft benoemd hem, die zwager is van een raadslid; dat raadslid zal moeten wijken, gelijk een lid van Gedeputeerde Staten zal moeten wijken, zoo een commissaris des Konings in eene provincie benoemd werd, die hem in den eersten of tweeden graad bestond." Dat antwoord, waarmede zich het provinciaal bestuur vereenigde, is gegeven aan het gemeentebestuur; dit heeft zich ook daarmede vereenigd, met uitzondering van het lid, dien de beslissing trof. Daarna is de nieuwe burgemeester geïnstalleerd; hij heeft, geïnstalleerd, voor de eerstvolgende vergadering dat lid, zijn zwager, niet opgeroepen; deze is echter verschenen; de burgemeester heeft hem verzocht de vergadering te verlaten; dit heeft hij niet verkozen en toen heeft men hem gezegd: „gij zult verplicht worden dit te doen." Op die vermaning is dan eindelijk het scheiden uit die vergadering gevolgd. Hetgeen de burgemeester gedaan heeft is, mijns inziens, volkomen in de orde; de burgemeester heeft gehandeld met dat raadslid als met iemand, die onbevoegd eene vergadering bijwoont. Ten aanzien van andere onbevoegden om in eene vergadering te zitten zou

Sluiten