Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is niet duister. Er is voorgesteld langzaam de preiniën af te schaffen met het oogmerk — maar dit kon niet evenzeer trapsgewijze, niet evenzeer op dezelfde tijdstippen geschieden — de tegenwoordige wetgeving, die op de visscherijen drukt, te ontbinden. Men heeft gesproken van knellende banden. Die wetgeving betreft inzonderheid twee punten, zij betreft den handel, zij betreft het bedrijf zelf. \\ at den handel aangaat, indien men het niet las in de wet van 1818, men zou het niet gelooven. In art. 1 en eenige volgende van die wet staat: ,,De haringvisscherij onder de Nederlandsche vlag vermag alleen te worden uitgeoefend voor rekening van inwoners des Koningrijks, en met schepen aan dezelve toebehoorende.

„Niemand mag aan eenen vreemdeling in de uitrusting voor de haringvaart eenig aandeel geven of hem zijnen naam daartoe leenen, op eene boete van f 2000..

,,Op dezelfde boete is het aan alle inwoners van het Rijk verboden, zelfs indirectelijk deel te nemen in eenige haringvisscherij die onder vreemde vlag wordt uitgeoefend.

„Alle degenen w'elke mogten ondernemen ingezetenen van dit Koningrijk, direct of indirect, uit te lokken om in een vreemd land de haringvisscherij uit te oefenen, zullen gestraft worden met eene boete van f 2000 of een jaar gevangenisstraf."

In art. 20 en eenige volgende lezen wij: „Alle stuurlieden van haringschepen zullen verpligt zijn hunnen gevangen haring binnen dit Koningrijk in te brengen, op straffe van ééne maand gevangenisen eene boete van f 50. Alle haringvisschers, wanneer zij de haven of plaats alwaar zij zijn uitgerust, verlaten hebben, zullen verplicht zijn, tijd en wind dienende, zich direct naar hunne visscherij te begeven, hetwelk zij ook bij hunne terugkomst zullen moeten in acht nemen.

,,Buiten dringende noodzakelijkheid zullen zij, noch uitgaande, noch terugkomende, in vreemde landen mogen binnenloopen, ook niet in eene andere provincie, buiten die alwaar de uitrusting heeft plaats gehad."

Ik trede nu niet in de technische beperkingen. Welke was de grond van dergelijke w7etgeving"? De grond was het begrip, dat men nog had in 1818, toen deze wet werd vastgesteld, en waaraan men vasthield. Wij bezitten het monopolie van de haringvisscherij en handel, en dat monopolie moeten wij te meesten beste van de verbruikers regelen; wij moeten het misbruik te keer gaan, dat bij het bedrijf ten gevolge van eigenbelang of nalatigheid zou kunnen worden uitgeoefend. Met het vervallen van dien grond moeten de regels, daarop gebouwd, vervallen. Derhalve kan, ten aanzien van de hoofdbeginselen onzer tegenwoordige wetgeving, zoo het mij voorkomt, nauwelijks twijfel bestaan.

Dat gevoelen nu wordt niet omhelsd door college's van deskundigen.

Sluiten