Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 November. Staatsbeorootino voor het jaar 3853. Algemeene beraadslagingen. Aan de algemeene beraadslagingen namer slechts enkelen deel, van welke alleen de heeren van Lvnden en Groen van Prinsterer een antwoord van den Minister van Binnenlandsche Zaken behoefden. De eerste meende, dat de omstandigheden van dien aard waren, dat de uitgaven tot het volstrekt noodige behoorden te worden beperkt. Bij de regeering kon hij echter een streven in dien geest allerminst ontdekken. Trouwens, de vruchten van het tegenwoordige regeeringsbeleid waren in het geheel genomen niet gT00t. De nieuwe organisatie, zoo was voorgespiegeld, zoude belangstelling wekken. Het was daar echter verre van. De provinciale wet kon er bij den spreker nog mee door, maar de gemeentewet moest het ontgelden. Deze wekte in stede van belangstelling, naijver en verdeeldheid. Op het stuk der financiën heerschte onzekerheid en verwarring door de afschaffing der accijnzen. De omslag van schrifturen en bemoeiingen, waartoe deze wet aanleiding gaf, was zoo groot, dat de Koning „de beslissing over de voordrachten der gemeentebesturen tot wijziging van hun belastingstelsel tot Januari 1853 moest verdagen." Vernietiging van gemeenteraadsbesluiten was aan de orde van den dag, niettegenstaande Gedeputeerde Staten nog eerst door correspondentie zochten den raad tot andere gedachten te brengen. Amsterdam weigerde eene som op de begrooting te brengen voor arme krankzinnigen, omdat de gemeentewet daarover zweeg, enz. Hoe kort ook de jachtwet nog eerst werkte, men kon wel als zeker aannemen dat zij de schatkist op hooge kosten joeg.

De heer Groen v. Prinsterer waagde een poging om het naar zijn inzien juiste licht te doen schijnen op de drie partijen in de Kamer vertegenwoordigd. De ministerieele partij, zei hij, deelde in het lot van elke domineerende partij; zij werd door velen, vooral door zich zelve te gunstig beschouwd, terwijl zij beginselen beleed, waarmede zij onmogelijk kon voldoen aan den eisch der Grondwet en het verlangen der natie. Tegenover de conservatieve partij daarentegen was men onbillijk geweest. Zij was reactionnair genoemd in dien zin, alsof zij terug wenschte te keeren tot den toestand van zaken van voor 1848. Met de derde, de antirevolutionnaire partij, kwam zij in zooverre overeen, dat zij hechtte aan de souvereiniteit van het huis van Oranje, dat zij een soort van band tusschen Staat en Kerk verlangde, een état laïque, maar niet een état athée, waarin de gezindheden als bizondere corporaties werden beschouwd, en onderwijs en opvoeding wierd vaneengescheurd. Ook de derde, de antirevolutionnaire partij, werd zeer onbillijk beoordeeld. Nog onlangs had men haar voorgeworpen: het droitdivin, en voorkeur bij de uitoefening van het kiesrecht aan den geloofsgenoot verleend. Maar ook de antirevolutionnaire partij erkende de verbindende kracht der Grondwet, terwijl ook zij in toenadering tot andersdenkenden zóóver wenschte te gaan. als met vasthouding aan eigen recht en geloof mogelijk was. Iedere schrede voorwaarts van het liberalisme in Nederland kwam echter ten voordeele der R. K. kerk en nu was het vermoeden gewettigd dat de gelijkstelling der gezindheden

Sluiten