Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden niet juist noodige uitgaven bevat, is ook door andere sprekers bijgebracht. Zoo hier schuld is, Mijne Heeren, ik beken het eerst en vooral schuld; want van die uitgaven, die men dan meent te mogen noemen nuttige, niet volstrekt noodige uitgaven, zal wellicht de begrooting van Binnenlandsche Zaken er de meeste bevatten. Maar ik mag vragen, welk is het kenmerkend verschil tusschen noodig en nuttig? Noodige uitgaven zijn het die welke vereisclit worden om het leven gaande te houden? zoo ja, mogen dan geene verdere, geene andere geschieden? Ik meen ja, ik meen dat wij te kort zouden schieten in de vervulling van onze taak, wanneer wij, in den tegenwoordigen toestand en zelfs in een toestand, die veel minder gunstig ware dan deze, niet andere uitgaven deden buiten de noodige, aldus omschreven.

Ik erken, op de begrooting van Binnenlandsche Zaken zijn onderscheidene nuttige uitgaven, die, wanneer menjiet begrip van noodig in een engen zin opvat, niet noodig kunnen worden genoemd. Maar van welken aard zijn ze? Ik beweer, dat onder die nuttige uitgaven van Binnenlandsche Zaken niet eene te vinden is, voor welke niet meer dan de waarde zal worden erlangd. De een let bij het doen van uitgaven op het geld dat uitgegeven wordt, de ander op de waarde, die er voor wordt verkregen, en ik beweer dat het mijn trachten is — en dat dit trachten duidelijk uit de begrooting van Binnenlandsche Zaken blijkt — voor zekere, matige, sommen duurzame schatten terug te geven.

De geachte spreker heeft onder de niet noodige uitgaven ook dc kosten van de statistische bureaux opgeteld. Waar zijn al die statistische bureaux; ik wenschte dat wij ze hadden. Zij zullen er komen, hoop ik, en dan wellicht ook gesteld worden onder de min noodige posten; maar wij zijn zoover nog niet.

De Minister heeft altijd vermeden zijne beginselen open te leggen, zegt de geachte spreker.

Ik meen niet, ik meen dien geacliten spreker onder anderen dikwerf te zijn gevolgd op zijn terrein, ook wanneer het mij toescheen dat het volgen op zijn weg ons afbracht van de orde.

Doch de geachte spreker wil dit voor het oogenblik vergeven; hij vraagt, welke zijn de vruchten van de daden van het Ministerie, inzonderheid van de drie politieke wetten, de kieswet, de provinciale wet en de gemeentewet.

Over de kieswet wil de geachte spreker nog geen oordeel vellen. De provinciale wet schijnt hem toe tamelijk goed, niet ongunstig te werken.

Ik geloof, de geachte spreker heeft gelijk. Wanneer de geachte spreker een oog wil slaan niet alleen op eene of andere verrichting van de Provinciale Staten in gemeenschap met het Gouvernement, maar wanneer hij wil nagaan de geschiedenis van de werkzaamheden van de Provinciale Staten sedert de eerste vergadering onder de nieuwe wet tot nu toe, ik geloof de geachte spreker zou nieuwe redenen van

Sluiten