Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(de ^ ergadering veroorloove mij dat beeld) heeft eene maag die veel verdragen kan. Maar of hetgeen in Engeland geoorloofd is in dit opzicht ook geoorloofd zou zijn in de Staten van het vasteland, kleine of groote, meen ik te mogen betwijfelen.

De geachte spreker beschuldigt mij, dat ik den kring van de werkzaamheden der Tweede Kamer te nauw zou willen trekken, want ik zonder nog al een en ander punt uit. Ik zonder vooral uit, Mijne Heeren, hetgeen de geachte spreker zoo gaarne in deze Vergadering zou willen brengen, de godsdienst. Inderdaad, Mijne Heeren, ik acht het te eenen male strijdig met onze Grondwet, met onze rechten, met onze vrijheden, zoo wij in dit land, waar niet ééne kerk, maar eene verscheidenheid van kerken bestaat, die alle even vrij en alle gelijk behooren te zijn in rechten en plichten, gewaagden van eene kerk of van het ^ erband, waarin de Staat met de Kerk behoort te zijn.

De geachte spreker heeft mij —- en ten onrechte — verweten, dat ik zou gezegd hebben, dat de afdeelingen der Kamer steeds, hetgeen zij volgens zijne meening' tot hiertoe zijn, comités van mederedactie van wetten moesten wezen. Ik heb dit niet gezegd. Ik heb gezegd, dat de afdeelingen, dat de volle Kamer niet moest en niet zou nalaten, wat zij noodig oordeelen te doen, hetzij bij het onderzoek van de beginselen der wetten, hetzij bij dat van den vorm of het opstel. Hetgeen waaraan de geachte spreker de voorkeur zou willen geven, kan ik in mijne verbeelding eenigszins nagaan, ofschoon hij zelf bet niet heeft gezegd. De geachte spreker zou wenschen, dat de Kamer zich met de wetten zelve eigenlijk niet veel inliet, maar alleen over eenige algemeene beginselen beraadslaagde; nadat die discussie ten einde ware — zoo zij ooit een einde vond — dan konden de Ministers heengaan en stellen de wetten op, welke men dan, bij trouw aan die beginselen, wel zou goedkeuren, ook zonder discussie.

Ik heb het weinig doeltreffend genoemd, dat de geachte spreker van vrees gewaagde. Ik meende, dat een angstig, een verschrikt gemoed niet geschikt is om te handelen, en dat, indien er wezenlijk gevaren bestonden, inzonderheid kracht van handelen vereischt werd. Wat zegt nu de geachte spreker?

,,Ik ben niet vreesachtig; ik heb geene teekenen van politieke angstvalligheid gegeven. Ik bedoelde niet, den geachten spreker van vreesachtigheid te betichten, maar meende, dat men niet van vrees, van redenen tot vrees moest spreken daar waar men, zoo doende, de gevaren niet zou kunnen afwenden. Of zou de geachte spreker inderdaad gelooven, dat, zoo b.v. de vrijheid van drukpers bedreigd ware, zijn spreken of dergelijk spreken iets zou kunnen afdoen om het gevaar te bezweren? Ik meen dat degeen, die bier het woord heeft te voeren, moet gedachtig zijn aan het verband van dat woord met de handelingen \an regeering. Zoo hij zich geene duidelijke rekenschap kan geven

Sluiten