Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu niet geschiedt, wanneer? Het komt hier aan op eenige duizenden meer of minder, want ik denk niet dat de geacnte spreker zal willen terugkomen op de groote uitgaven, b. v. voor de rivierverbetering en de telegrafie, die reeds zijn toegestaan en, de reeks van die uitgaven afbrekende, nutteloos zal willen maken wat verricht is. De geachte spreker kan dus alleen zien op hetgeen nu voor het eerst wordt aangevraagd, voor zaken waarin niet, of minder goed, was voorzien: dan komt het aan op eenige duizenden guldens meer of minder; en nu zou de tegenwoordige staat der middelen niet toelaten, dat wij, bij dien drang van behoeften, daaraan voldeden? Tot welk tijdstip moet dan worden gewacht? De geachte redenaar zegt wel: „Onze finantieel gunstige toestand, voor zooveel' die gunstig kan worden genoemd, is toe te schrijven aan buitengewone middelen, en wij mogen niet te sterk vertrouwen, dat wij in het genot daarvan zullen blijven zoo als wij het genot hadden in de laatste jaren." Maar ik vraag den geachten spreker: hoe is het met de gewone ontvangsten hier te lande? Gaan ook die middelen niet vooruit? En is dan eene Regeering, zoo de middelen toenemen, niet schuldig ook in die mate meer te voldoen aan de behoeften? zoo het namelijk dd plicht is van eene Regeering in de behoeften tegemoet te komen. Dit ontkent de geachte spreker en dit is een hoofdpunt van verschil. De geachte spreker beweert namelijk, dat het niet te pas komt, uitgaven voor de telegrafie te doen, dat het met te pas komt, uitgaven uit de schatkist te doen voor wegen. Het zijn geene noodzakelijke uitgaven, en voor zooveel zij noodzakelijk zijn, kan erin worden voorzien door bijzondere personen.

Vooreerst de telegrafie. Waarom die niet overgelaten aan bijzondere personen? Mijne Heeren, de geachte spreker heeft zich de wet niet herinnerd, die ik moet uitvoeren. De wet beveelt, dat er eene telegrafie op kosten van den Staat worde ingericht in den omvang zooals bij die gelegenheid is ontwikkeld. Maar neemt aan, de wetgever had dat systeem niet vastgesteld: zou de wetgever het nu niet moeten vaststellen? Zou de wetgever liever het andere beginsel moeten aannemen en de zaak overlaten aan particulieren? Ik geloof het niet, Mijne Heeren. Daargelaten de gronden, die bij de discussie over die wet in het midden zijn gebracht, geloof ik dat dit middel van correspondentie (waarvan de geachte spreker zich wel is waar in de toekomst weinig belooft; dat hij schijnt te houden voor eene soort van fantasmagorie waarvan men zal terugkomen, eene soort van illusie, die men bij meerdere bezadigdheid zal ter zijde stellen), — geloof ik, dat in den tegenwoordigen toestand der wetenschap dit middel van correspondentie een middel is, waarvan de geheele werking nog niet kan worden voorzien, en dat reeds uit dien hoofde de bijzondere belangstelling, zorg en tusschenkomst van alle Regeeringen vereischt. Ik behoef er nauwelijks bij te voegen, dat, zoo wij de aansluiting aan de telegrathobbecke. Parlementaire redevoeringen 1852—1853. 7

Sluiten