Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortkomen en door mij worden uitgevoerd, steeds in staat van desorganisatie in het oog van den geaehten spreker blijven verkeeren.

De geachte spreker somt drie punten op, waarover volgens hem verschil bestaat tusschen hem en den Minister \an Binnenlandsche Zaken of het ministerieel stelsel. Ik heb die lijst opgevat als eene uitboezeming van wenschen, die de geachte spreker gaarne door den Minister behartigd zag bij de aanstaande wet, en ik zal zien in hoe verre ik daaraan zal kunnen te gemoet komen. De geachte spreker dreigt mij, dat, wanneer ik aan die wenschen niet voldoe, mijne wet zal zijn eene antinationale wet. Die bedreiging mag zeker niet onder de minste drangredenen zijn om mij tot eene ernstige behartiging van het verlangen van den geaehten spreker te nopen.

Ten aanzien van revolutionaire en antirevolutionaire politiek. De geachte spreker zegt namelijk, dat de tegenstelling op het terrein van onderwijs tusschen hem en den Minister van Binnenlandsche Zaken dezelfde is, die er bestaat tusschen revolutie en antirevolutionaire politiek, en ten aanzien van de tegenstelling tusschen revolutionaire en antirevolutionaire politiek is er bij den Minister van Binnenlandsche Zaken een blijvend misverstand, dat de geachte spreker nu wTenscht weg te nemen. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft in de vorige zitting het jaar 1789 genoemd, en de weldaden die wij aan dat jaar verschuldigd zijn; hij heeft dat jaar genoemd, op een oogenblik toen de geachte spreker scheen te miskennen wat wij aan dien tijd te danken hebben. Ik erken, het verraste mij, dat de geachte spreker zich niet herinnerde, dat hij, die met zooveel vrijheid, als hij gewoon is, de rol van volkstegenwoordiger vervult, dit ook aan het jaar 1789 verschuldigd is.

De geachte spreker zegt: wij willen van alle schatten gebruik maken, die het voorgeslacht tot ons over heeft gebracht. Ik hoor het met groot genoegen; maar het verschil zal wel bestaan in de keuring van die schatten. De geachte spreker schijnt niet alles voor schatten te houden, hetgeen mij, ik wil nu niet spreken van mijne vrienden of van de mijnen, voorkomt eene levenskracht van dezen tijd te zijn, en hare wortelen te hebben in de gebeurtenissen van 1789 en van de volgende jaren.

De geachte spreker heeft vervolgens het misverstand willen wegnemen, door voorlezing van een paar woorden uit een geschrift dat, meen ik, in 1831 zou zijn uitgekomen, waarvan de Minister van Binnenlandsche Zaken niet kon verschillen, en dat geheel en al de meening van den geaehten spreker uitdrukt. Daar wordt gezegd, dat er op de revolutie gevolgd is eene orde van zaken, die werken, die groeien zal volgens een anderen dan haar regel. Ziet hier, Mijne Heeren, waarin mij toeschijnt het misverstand van den geaehten spreker te bestaan, — eene verwisseling, eene verwarring die door hem en de zijnen zeer

Sluiten