Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijzondere school eene zeldzame uitzondering moet zijn. Integendeel meen ik, dat de pogingen van particulieren om het onderwijs uit te breiden alleszins aanmoediging verdienen.

Kn nu de vraag: is er wel behoefte? \\ ie beoordeelt dit? Ja, het college van burgemeester en wethouders, maar naar welken maatstaf, naar welken regel? Want de vraag kan zijn, of zij, die wenschen eene bijzondere school op te richten, niet een ander onderwijs wenschen, dan hetgeen daar ter plaatse publiek wordt gegeven. Mij dunkt het is eene dwaling, te willen dat men daar onderwijs zal gaan nemen, waar dit gegeven wordt, eene dwaling te gelooven dat men zijne kinderen vrijwillig zal zenden bij eenen onderwijzer, die geen vertrouwen geniet.

Het bestaan van den onderwijzer. Hetgeen de geachte spreker hier over gezegd heeft, rust op de stelling dat liet onderwijs is om den onderwijzer, maar ik meen dat de onderwijzer is om het onderwijs, om de school. Indien de wet van 1806 het gevolg moest hebben dat de onderwijzer die eens een zeker bestaan heeft, in dat bestaan te allen tijde moet worden gehandhaafd, welke ook de eischen zijn van het ondeiwijs in die plaats, zij zou zeker in dit opzicht eene slechte wet zijn.

Ik geloof, en hierin vat ik samen hetgeen ik aan verschillende sprekers meen te moeten antwoorden, dat de wetgeving van 1806, te voren met weinig vrijgevigheid toegepast, thans vrijgevig ten uitvoer woidt gelegd. Maar liet stelsel van de wet wordt gehandhaafd. Dat stelsel verbiedt geenszins het bevorderen van bijzonder onderwijs en het oprichten van bijzondere scholen; en liet is de rosping van de Regeering gelijk van de wetgeving, aan die pogingen van bijzondere personen te gemoet te komen.

De heer Gevers Deynoot komt terug. Afwijking van de beginselen der schoolwet van 1806 bracht tot de tegenwoordige desorganisatie van het onderwijs.

De geachte spreker uit Botterdam heeft mij geantwoord met zoogenaamde groote beginselen, vier in getal, welke, volgens hem, die \an de wet van 1806 zijn. De geachte spreker heeft reeds gehoord, dat anderen niet zijn van dit advies. Ik ben liet ook niet. Mijns inziens heeft zich langzamerhand een uitleg en eene praktijk der wet van 1806 gevormd, die aan haar getoetst, geenszins altoos juist is. Dien uitleg, die praktijk heb ik ontmoet, toen ik deze betrekking aanvaardde. Ik ben daarmede dikwijls in strijd gekomen en ben er nog wel mede in strijd. De wet niet zorg raadplegende, gelijk zich daartoe dikwerf de gelegenheid voordoet, scheen het mij toe, dat de besturen hier en daar een systeem volgen, eer buiten de wet dan op de wet gegrond, en de geachte spreker neme liet mij niet kwalijk, het komt mij voor, dat sommige van die groote beginselen, door hem verkondigd, niet anders zijn

Sluiten