Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik neem hoegenaamd niet aan, dat de behoeften van de provinciale griffiën uit het oog worden verloren. Mij dunkt dit is eene grief, die men, wanneer men nadenkt, niet tegen den Minister van Binnenlandsche Zaken kan doen gelden. Die Minister toch heeft die griffiën altijd onder het oog, veel meer dan een enkel lid of dan al de leden dezer Vergadering; de leden hebben slechts een eukelen klank gehoord van de klok, die den geheelen dag aan het Departement van Binnenlandsche Zaken in de ooren luidt. Wie kan de behoefte van die griffiën beter kennen dan het centraal Departement, dat allen dag met de werkzaamheden daarvan in aanraking is?

Breng, zegt de geachte spreker, die ambtenaren slechts zoo ver dat zij het minimum kunnen krijgen. Mijne Heeren, het geval bestaat in andere provinciën evenzeer, en waarom worden niet meer middelen uitgetrokken? Omdat naar mijne overtuiging het personeel bij onderscheidene griffiën te talrijk is en men met een kleiner maar goed gekozen personeel veel meer zou kunnen verrichten, en dan zijn de tiaktementen zoowel het minimum als het maximum goed bepaald. De geachte spreker heeft gewaagd van ambtenaren die langdurige diensten gedaan hebben. Ik zou hem voorbeelden kunnen aanwijzen van ambtenaren, die twintig of dertig jaren dienst hebben en het in dien langen tijd niet verder brachten dan tot den rang van adjunct-commies, met eene bezoldiging van f 900 of f 1000. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft ten aanzien van de veelvuldige ambtenaren, waarmede hij in aanraking is, volstrekt eene zekere mate van hardvochtigheid noodig, en die komt evenzeer ten aanzien der provinciale ambtenaren en griffiers te pas.

De griffiers. De geachte spreker, die ook lid van Gedeputeerde Staten was, de afgevaardigde uit Arnhem, wenscht de griffiers niet gelijk te stellen met de hoofden van afdeelingen. Mijne Heeren, ik geloof dat de griffiers van de meeste Provinciale Staten minder zijn dan de hoofden van de groote Departementsafdeelingen, wier werkkring zich over het geheele Rijk uitstrekt. Zij zijn eer met de commiezen bij zoodanige groote afdeelingen gelijk te stellen. En hoeveel bezoldiging genieten nu die hoofden of referendarissen? Geen referendaris bij mijn Departement geniet meer dan f 2500.

De geachte spreker uit Leiden heeft mijne memorie van toelichting van het vorige jaar vergeleken met de tegenwoordige. Ik heb die van het vorige jaar niet bij mij; maar wanneer hier gezegd is in den toelichtenden staat, dat er tegenwoordig drie maal meer dan vroeger verricht wordt, ziet dit niet op het voorgaande jaar, maar op de vorige jaren, toen de uitgaven voor het personeel van het bestuur en voor materieel veel hooger waren dan tegenwoordig. Wat doet men daarentegen bij de Provinciale Staten? Bij de minste vermeerdering van werk zegt men: er moeten meer ambtenaren zijn. Er wordt een in-

Sluiten