Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste spreker, afgevaardigde uit Nijmegen, de heer van Lynden, heeft mijne opmerkzaamheid en belangstelling verzocht voor twee punten; vooreerst, voor de gesteldheid, in verband met de vervulling van onderwijzersplaatsen, te Maasbommel en te Alphen. Hij heeft herinnerd, dat over mijn uitleg van het huishoudelijk schoolreglement van Celderland in eene vroegere vergadering van deze Kamer is gediscuteerd, en hij heeft er bijgevoegd dat hij mijn uitleg voor gedwongen hield.

Ik geloof niet, dat ik in de orde zou zijn, zoo ik nu op die discussie van vóór twee jaren terugkwam; ik zal den spreker dan ook alleen herinneren dat die uitleg, eerst bestreden door Gedeputeerde Staten van Gelderland, vervolgens door hen is aangenomen. Tengevolge van de vereeniging van dat college met mijne meening, kon men nu voorzien in de vervulling van onderwijzersplaatsen, die sedert jaren open stonden en voorloopig waargenomen werden. Zoodra Gedeputeerde Staten dat besluit namen, trad het natuurlijk recht van de gemeente, van den gemeenteraad, om die plaatsen te vervullen, in werking. Dit is geschied, de benoeming heeft plaats gehad op de gewone wijze na een vergelijkend examen. De geachte spreker zal zich herinneren dat daarbij niet in allen deele is toegegeven aan hetgeen de gemeenteraad ten aanzien van de keuze van het personeel verlangde. De plaatsen zijn vervuld, en nu is er, zegt de spreker, opgewondenheid van gemoederen: er zijn gebeurtenissen voorgevallen, die zelfs de tusschenkomst der justitie hebben vereischt; die voorvallen konden zijn voorgekomen zoo gevolg ware gegeven aan het Koninklijk besluit van 18-42, hetwelk spreekt van de verplichte vereeniging der onderwijzersbetrekkingen met kerkelijke bedieningen en beveelt dat, om haar, waar zij nog mocht aanwezig zijn, op te heffen, maatregelen zullen worden voorgedragen. Die maatregelen, zegt de spreker, zijn niet voorgedragen, en zoo zij genomen waren zou belet zijn hetgeen thans in het Maaswaalsche heeft plaats gehad.

Ik meen dit te mogen en moeten tegenspreken. De Koning had niet noodig zoodanigen maatregel te nemen. Volgens de eigen erkenning van Gedeputeerde Staten van Gelderland rust hetgeen tot dusver was geschied, of liever hetgeen was nagelaten, op een verkeerden uitleg van het huishoudelijk schoolreglement. Zoodra zij daarvan terugkwamen, en het was te verwachten, dat zij daarvan zouden terugkomen, kwam de zaak op den weg, die mij van den beginne af de ware scheen te zijn.

Het besluit, sprekende van de verplichte vereeniging, voegt er bij, „waar die nog bestaat." Waar die nog bestaat, zal ze ophouden ten gevolge van maatregelen waarvan de Koning de voordracht wenscht. Nu bestond die verplichte vereeniging in Gelderland niet, en ik begrijp dus niet welke redenen er zouden kunnen geweest zijn om den Koning

Sluiten