Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ontwerp van wet tot regeling van het onderwijs, schoon daarbij dit examen door mij niet zal worden voorgesteld. Maar zij die zoodanig examen opnieuw wenschen ingevoerd te zien, zullfen dan hunne stemmen moeten verheffen.

De geachte spreker heeft het noodlottig genoemd, dat aan een Minister, die niet weet, welk het recht is van de Hervormde gezindheid, de vervuling eener vacature in de theologische faculteit te Leiden is overgelaten. Dit bezwaar heb ik juist van den geachten spreker verwacht, en daarom — ik wil het oprecht bekennen — heb ik het louter aan zijn geest van oppositie toegeschreven, dat hij zich in deze Kamer zoo dikwerf beklaagt over het onvervuld laten dier plaats.

Wanneer nu de geachte spreker, gelijk de afgevaardigde uit Arnhem, zegt: de jongelieden die onderwijs ontvangen in de theologische faculteit worden voor de kerk opgeleid: dan antwoord ik dat niemand betwist dat zij voor de kerk worden opgeleid, om dienst in het Hervormd kerkgenootschap te doen, en de plichten te vervullen van een waardig leeraar en waardig herder. Dit is waarschijnlijk niet al hetgeen de geachte spreker onder het recht van de Hervormde gezindheid — zooals hij zich uitdrukt — wil begrepen zien.

Zoo de geachte spreker meent, dat ik mij al te gemakkelijk afmaak van de redenen, die hij heeft ingebracht, ik moet erkennen, Mijne Heeren, ik heb ze ter zijde gesteld, want herhaling is hetgeen mij het meest stuit. Wij hebben die discussie gehad; ik heb toen mijne redenen bijgebracht; die hebben hem niet overtuigd. Wanneer de geachte redenaar nu een jaar daarna repliceert, dan geloof ik, is het niet onjuist, niet tegen het belang van de zaak, dat ik, indien het mij voorkomt, dat geen nieuwe redenen zijn bijgebracht, het stilzwijgen bewaar. Ik beweer dan ook hoegenaamd niet, ten aanzien van het tweede punt, dat de geachte spreker heeft aangevoerd, een betoog tegen het zijne te hebben overgesteld of te hebben willen overstellen.

Afdeeling VIII. (Kunsten en wetenschappen). Algemeene beraadslaging. Aandrang tot bescherming van de rechten van schrijvers en kunstenaars tegen nadruk en namaak.

De heer Sloet tot Oldhuis ergerde er zich aan, dat de woning van prins Willem I bij voortduring bestemd bleef tot verblijf voor soldaten.

Verhooging van de gelden uitgetrokken voor het museum van natuurlijke historie te Leiden. De gelden thans aangevraagd, zeide hij; waren te nauwernood voldoende tot aankoop van de noodige kamfer tot verdrijving van de mot; het kabinet-Fischer geleek een grafkelder.

Aankoopen voor het archief.

Ik neem gaarne de wenken aan die de laatste spreker geeft, en bij gelegenheid der voorbereiding van de wet tot regeling van het octrooiwezen zal ook dat punt worden overdacht.

Sluiten