Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden vermeerderd, schijnt zijne vrees overdreven. ij hebben de mate van het subsidie in de hand, wij kunnen de kosten dezer inrichting vergelijken met de kosten die elders voor dergelijk doel besteed worden, en zoo men deze vergelijking maakt, schijnt de som, welke nu wordt aangevraagd, voldoende te zijn en voldoende te zullen blijven.

De geachte spreker heeft gewaagd van het werk van den luitenant Maury. Indien men enkel uit scheepsjournalen een stelsel van observatien trekt, waaruit men hoopt de kennis van de wetten der bewegingen van den dampkring af te leiden, men rekent dan, geloof ik, buiten den waard. De waarnemingen, gedaan op de schepen, de aanteekeningen der scheepsjournalen moeten de observatien, die gedaan worden aan de inrichtingen op het vasteland, daartoe bijzonder bestemd, te hulp komen. Deze laatste inrichtingen moeten de middelpunten zijn, waar het licht zamenvloeie, ook dat, hetgeen van de waarnemingen op zee kan worden verwacht. De luitenant Maury zou, zonder de liooge belangstelling welke Noordamerika in de zaak, welke hij behartigde, door het stichten van observatoria aan den dag heeft gelegd, alleen met behulp der scheepsjournalen het licht niet hebben verkregen, dat nu uit zijn werk schijnt op te gaan.

Art. 117. Kosten ter vervaardiging eener geologische kaart. De heer Dirks uitte zijne bevreemding, dat de provincie Friesland in de commissie met de vervaardiging der kaart belast niet was vertegenwoordigd.

De geachte afgevaardigde (de heer Dirks) heeft eene rede uitgesproken, alsof bij het Gouvernement de gedachte kon bestaan, Friesland van de geologische kaart uit te sluiten. Niets minder dan dat. Friesland zal zoowel onderzocht worden, als de overige deelen van het Rijk. En zoo er een bij het Gouvernement onbekend vertegenwoordiger van de geologie in Friesland gevonden wordt, van wien partij kan worden getrokken, ik verlang niets liever dan den naam te kennen, en zijne hulp zal worden ingeroepen, ja met aandrang verzocht.

27 November. Art. 126. Bijdrage aan de maatschappij van weldadigheid voor kolonisatie. Had de Kamer het recht zich met den finantieelen toestand der maatschappij te bemoeien'?

De geachte spreker uit Dokkum (de heer Ter Bruggen Hugenholtz), Mijnheer de Voorzitter, richt de vraag aan den Minister of, volgens het oordeel van het Gouvernement, de wetgevende macht het recht heeft om zich met de huishouding der Maatschappij van Weldadigheid in te laten. Ik geloof: ja, de wetgevende macht heeft dat recht.

Sluiten