Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft de vrijheid van onderwijs reeds verdedigd in het publiek, alvorens de spreker over het onderwijs hoegenaamd had nagedacht. Hij heeft ons dit zelf meermalen herinnerd; ik althans meen mij zeer wel te herinneren dat de spreker zich op mij heeft beroepen. Hij weet ook zeer wel dat de Minister van Binnenlandsche Zaken juist omdat hij in den geest van vrijheid de tegenwoordige wetgeving toepast, daarom is blootgesteld aan de kritiek van hen, die alle vrijheid wenschen uitgesloten te zien. Het zijn dus èn de beweringen van den heer Thorbecke èn de handelingen van den Minister van Binnenlandsche Zaken, welke den geachten spreker op hetgeen hij nu als eene onverwachte ontdekking doet voorkomen, konden hebben voorbereid.

In de tweede plaats de stelling van het historische koningschap; eene stelling die mij altijd duister is geweest en tot dusver bleef.

Ik herinner mij, dat de geachte spreker bij de beraadslaging over de begrooting eene zinsnede uit het rapport van Maart voorlas. Ik heb toen lachende geantwoord, dat, indien hij zich schaarde onder hen, in wier geest liet rapport van Maart is geschreven, ik mij verblijdde hem onder mijne bondgenooten aan te treffen. Nu komt de spreker terug, en men weet, dat hij, althans zijne vrienden, wanneer men hun een enkel woord of een verkeerden uitleg laat, niet in gebreke blijven, daarop een, twee, vijf maal, ja honderd maal terug te komen. Men mag hun geen terrein laten, zoo men niet wil, dat zij er voet op vatten. Ik meende, dat de spreker zich meer in scherts dan in ernst zijne aanhaling had veroorloofd. Nu hij herhaalt en ernstig wordt, heb ik van mijne zijde slechts de woorden voor te lezen, waarin niets hoegenaamd, wat men onder historisch koningschap schijnt te willen verstaan, wordt gevonden, niets dat eenigszins gelijkt naar hetgeen de geachte spreker en zijne vrienden ons zoo dikwerf hebben voorgehouden, inzonderheid aan den Minister van Binnenlandsche /aken. \\ at staat daar? „Het schijnt vreemd, in eene Grondwet van den jaie 18*8 te lezen, dat ,, ,,de Kroon is en blijft opgedragen aan Z. M. \\ illem Frederik" " (een Koning, die reeds overleden was,) — of dat „ ,,de wettige nakomelingen van den regerenden Koning zijn de kinderen, reeds geboren of die nog mogten geboren worden uit zijn tegenwoordig huwelijk met H.M. Frederica Louisa Wilhelmina, Prinses van rruissen" " (eene overledane Koningin). In de Commissie van 1858 meende men dan ook eerst, dat men aan dat artikel eene andere wending moest geven; men heeft echter besloten het te laten gelijk het was, wegens de reden die wordt opgegeven: „Deze artikelen betreffen den oorsprong van het erfelijk Koningschap; zij zijn de historische en wettelijke grond der tegenwoordige en toekomstige troonopvolging"; dat wil zeggen, de Kroon is en blijft opgedragen zooals zij was opgedragen in 1815, opgedragen bij de Grondwet.

Sluiten