Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aanneming van art. 238 van de gemeentewet, de Kamer haar gevoelen had doen kennen, dat ten aanzien van de provinciale heffingen dit beginsel niet gold.

Ik heb in dit) betoog de uitnemende gevatheid van dien spreker bewonderd. Toen art. 238 der gemeentewet in discussie was, heeft, zoo ik mij wel herinner, de spreker uit de weglating van die alinea van art. 117 der provinciale wet het besluit getrokken, dat art. 238 der gemeentewet niet kon worden aangenomen. Nu keert hij het betoog om: nu moet de aanneming van art. 238 der gemeentewet dienen om te betoogen. dat deze heffingen niet onder provinciale belastingen zouden kunnen worden gerangschikt.

I)e geachte spreker uit Zeeland heeft in de tweede plaats als bezwaar bijgebracht, dat het tarief opgenomen is in het ontwerp van wet. Maar dit is evenzeer gedaan in dat ontwerp van wet ten aanzien van de provincie Groningen, waarmede de Kamer zich heeft vereenigd, en het is juist het hoofddoel van deze nieuwe regeling, door de Provinciale Staten goedgevonden, het tarief, dat te hoog was, te verlagen. De algemeene communicatie kan daarmede niet anders dan winnen. Ik zou niet licht hebben toegegeven, zoo het eene verhooging had betroffen; ik zou dan geen vrijheid hebben gevonden het reglement aan den Koning ter goedkeuring voor te dragen.

Ten laatste heeft de geachte spreker uit Gelderland gezegd, sprekende van eene reden, bijgebracht in de Memorie van Beantwoording, dat daar, volgens het gevoelen van de Regeering, de ontvangst van zooanige heffing voor het gebruik van inrichtingen, eenvoudig strekte in mindering van de belastingen, dit dan evenzeer toepasselijk was op alle andere ontvangsten, door de provincie genoten. Aldus brengt lïij te zamen hetgeen niet bij elkander behoort. Andere ontvangsten ja, maar niet alle; hier geldt het niet eene ontvangst, zooals b. v.' die van inkomsten van eigendommen; het geldt hier eene heffing van de ingezetenen voor het gebruik van inrichtingen van publieken dienst; en zoo het nu waar is, dat alle belastingen moeten strekken om de kosten te dekken, waartoe de publieke dienst leidt, dan, dunkt mij, is het ook waar dat deze heffing, die gevraagd wordt om een bepaalden tak van publieken dienst te voeden, evenzeer onder de belastingen moet worden gerangschikt.

Ik behoef niet op het buitensporig misbruik te wijzen, dat zou kunnen worden gemaakt, zoo het toezicht van de wetgevende macht zich o\er zulke heffingen niet wilde uitstrekken. Het zal niet gebeuren zoolang ik de eer heb op deze plaats te staan, maar men zou, in stede van andere belastingen, zoodanige heffingen kunnen uitschrijven, schadelijk voor de circulatie en voor den handel; en slechts een willekeungen vorm behoeven te kiezen om zich aan eene heilzame grondwettige controle te onttrekken.

11*

Sluiten