Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijwillig of zoo gedwongen als de andere. De accijnsen beslaan eene breede plaats in ons stelsel van belastingen, en de geachte spreker zal ze geloof ik daarvan niet willen uitsluiten.

11 December. Ontwerp van wet tot verhooging van Hoofdstuk V der staatsbegrooting voor 1851. De verhooging betrof eene bijdrage ten behoeve van het speciaal fonds voor de kosten van droogmaking van het Haarlemmer-meer. Het ontwerp gaf tot onderscheidene opmerkingen en vragen betreffende die droogmaking aanleiding. De heer Metman opende de reeks. Waarom waren nog geene gronden verkocht? Werd deze verkoop nog steeds vertraagd door de procedure met de stad Leiden ? En waarom was in die procedure zoo weinig voortgang ? Wat dacht de regeering te doen ter tegemoetkoming aan de bezwaren omtrent gebrek aan water in den zomer, en den overvloed in den winter? Behoorden geene maatregelen genomen te worden omtrent de indeeling der drooggemaakte landen in provinciën, gemeenten enz.? De heer Gevers Deynoot wees er op dat reeds een te kort kon worden aangewezen. Waren er nog meerdere te verwachten'/ Onderzoek naar de gevolgen der droogmaking. Waarom, vroeg de heer van der Linden, werd nog steeds niet begonnen met aflossing der leeniug?

Door den eersten spreker uit Gouda is opgemerkt, dat de verkoop van landen tot het Haarlemmermeer behoorende, niet zoo spoedig plaats had. als men zich dit had voorgesteld. Zoo men teleurgesteld werd, men is het niet alleen op dit punt. De Vergadering herinnert zich, dat men ten aanzien van de droogmaking van het meer vroeger verwachtingen gekoesterd heeft, waaraan later niet is beantwoord noch beantwoord kon worden. De verkoop van landerijen is tot dusverre mede vertraagd door de verschillende wijze, waarop het geschil met Leiden werd beschouwd. Sommigen meenden, dat de uitkomst van het geding moest worden afgewacht. Ik voor mij ben van den beginne af niet van die meening geweest. Ik dacht, loopt het geding af binnen korten tijd, de verkoop van gronden kan daarop wachten, maar zoodra het te voorzien viel, dat het proces langen tijd zou vorderen, kwam het mij voor, dat men het geding zijnen gang moest laten gaan, en van de zijde der Regeering handelen alsof het niet werd gevoerd.

De loop van het geding zelf — en daarop is eene andere aanmerking gevallen van meer dan één spreker — heeft ook mij teleurgesteld. Vóór de conclusie, die ik als liet eenige mij bekende stuk aan de Vergadering heb medegedeeld, had ik verwacht, dat de procedure veel verder ware gevorderd. Ik behoef de rechtsgeleerden, die hier het woord hebben gevoerd, niet te zeggen, dat de Minister niet van dag tot dag, van week tot week, met den loop van dergelijke zaken bekend wordt gehouden. Ik zal slechts zeggen, dat ik van mijne zijde sedert geruimen

Sluiten