Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal wezen van den Staat, dat zal ook deze Kamer gaarne aan de Regeering overlaten. Niet zoo wanneer het mocht gelden afwijking van de regels van de wet van 1848, niet wanneer het er op aan mocht komen aan eene Engelsche of eene inlandsche maatschappij de bebouwing over te geven. Daarvan kan zonder toestemming van de wetgevende macht geen sprake hoegenaamd zijn.

De geachte spreker uit Friesland (de heer van Swinderen) is nog eens teruggekomen op het wenschelijke om het Amsterdamsche peil te verlagen, vooral in verband met de verbinding van de hoofdstad met de Noordzee. De hoofstad zal niet in gebreke blijven op dat punt aan te dringen, zoo zij in haar belang die verbinding noodig acht en zoo bij het onderzoek mocht blijken dat die verbinding van Amsterdam met de Noordzee eene onderneming is in het algemeen belang, in liet belang van de hoofdstad — en hetgeen in het belang van de hoofdstad in dit opzicht wezen zal, zal wezen een algemeen belang — dan hoop ik en dan vertrouw ik, dat Amsterdam toonen zal, dat het de hoofdstad is van het Rijk.

20 December. Bekrachtiging eener provinciale belasting in Zeeland (voor het gebruik van steigers of aanlegplaatsen). Aard der heffingen voor het gebruik van werken van overheidswege ten algemeenen nutte aangelegd (vergel. hiervóór blz. 159). Naar de meening van den heer de Jonge van Ellemeet mocht men deze heffingen niet als belastingen beschouwen; van bekrachtiging der betrekkelijke provinciale verordeningen bij de wet mocht, z.i., geen sprake zijn. En zoo deze heffingen wel belastingen waren, waarom werden dan verscheidene heffingen en pachten, welker opbrengsten toch ook jaarlijks op de provinciale begrooting onder de inkomsten werden opgenomen, niet als belastingen aangemerkt? Ook de heer van Eysinga meende, dat hier niet van belasting kon worden gesproken. Belastingen behoorden te worden geheven ter voorziening in den algemeenen dienst, en dat was in deze niet het geval. Trouwens wanneer dit belastingen waren, waarom dan de tollen niet? Maar van deze laatste had de rechter uitgemaakt dat zij niet als belasting konden worden aangemerkt. En uit art. 238 der gemeentewet, dat wel die heffingen met belastingen gelijk stelde, mocht niet geconcludeerd worden dat zij ook belastingen waren. Maar gesteld eens, men had hier met een belasting te doen, werd dan niet in strijd met de grondwet een privilege verleend, door sommige personen van de belasting vrij te stellen? Ook de heer v. Andringa de Kempenaer schaarde zich onder de bestrijders der wetsvoordracht. Het gold hier eene recognitie; ging men ook voor de retributien de goedkeuring der wet vorderen, waar bleef dan de provinciale vrijheid ? De heer van Dam van Isselt vroeg of deze heffingen niet in strijd waren met het grondwettig verbod, den doorvoer en uitvoer naar, en den invoer uit, andere provinciën te belemmeren.

Sluiten