Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drage vordere tot den aanleg, het onderhoud van die inrichting? In alle gevallen mag ik uit hetgeen de geachte spreker gezegd heeft eene reden ontleenen voor deze wet, en voor mijne beschouwing van het beginsel, hetwelk het hier geldt. De geachte spreker wil dat de provincie betale; de provincie zou, zonder deze heffing niet kunnen betalen zonder verhooging van opcenten; die verhooging van opcenten zou moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van de wetgevende macht. Hetgeen dus gegeven zou worden niet hetzelfde doel, als waartoe deze heffing zal strekken, zou uwe bekrachtiging vereischen. Maar wil men hetzelfde geld vragen van degenen, die verplicht kunnen worden geacht om bij te dragen in hetgeen in de eerste plaats tot hun nut strekt, dan zou men de bekrachtiging der wetgevende macht niet behoeven.

Mij dunkt het een rijmt niet met het ander; maar welk verschil er ook moge bestaan omtrent den vorm dezer heffing, in het wezen der zaak is er geen verschil. Zoodat ten aanzien van de bekrachtiging, ja of neen, in beide gevallen eveneens zal moeten worden gehandeld.

21 December. Bij de beraadslaging over Hoofdstuk III (Buitenlandsche Zaken) der Staatsbegrooting. Twee malen had de Tweede Kamer eene som van ƒ6000.—, uitgetrokken voor kosten van representatie, afgestemd. De heeren van Ryckevorsel en van Dam v. Isselt keurden dit af en verlangden dat de regeering het volgend jaar nogmaals zoude trachten voor dezen post de goedkeuring der Tweede Kamer te verkrijgen.

Mijnheer de Voorzitter, meer dan eens is gevraagd, of de Regeering de verzekering kon of wilde geven, dat zij op de begrooting van een volgend jaar, dezen, nu door de Tweede Kamer voor de tweede reis afgestemden post, zou brengen. Ik meen dat het openhartig is te verklaren, dat de Regeering die belofte niet geeft, na twee maal te hebben voorgesteld en na twee maal van de Tweede Kanier, en de tweede reis niet eene grootere meerderheid, weigering te hebben ontvangen. Ik zeg daarmede niet, dat zoo iets in de toekomst niet zou kunnen gebeuren; ik zeg dat de Regeering die belofte nu niet kan geven.

Bij deze gelegenheid moet ik toch doen opmerken, dat hetgeen door sommige sprekers werd gezegd, niet vrij is van overdrijving noch ten aanzien van vorige tijden, noch ten aanzien van het tegenwoordige tijdstip.

Een geacht redenaar uit Rotterdam (de heer van Rijckevorsel) heeft gewezen op de Republiek. Welnu, wie was toen hoofd onzer diplomatie? Het was de Raadpensionaris van Holland. Gaf Jan de Witt diners? Zoo ik mij niet bedrieg, genoot Jan de Witt f 2000. De geachte

Sluiten