Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierbij was te veel macht aan het hooger bestuur toegekend. Indien de Staten van twee provinciën het onderling eens konden worden, voerde de heer Wintgens aan, dan moest de tusschenkomst der regeering zijn buitengesloten. Wat schreef echter artikel 19 van het ontwerp voor? „Belangen van waterstaat, twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaande, over wier regeling de Staten dier provinciën zich niet behoorlijk verstaaD, kunnen door Ons, den Ka ad van State gehoord, bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, worden geregeld." Met die bepaling, klaagde men, werd opnieuw het geheele waterstaatsbestuur in de opperheerschappij van één man, den minister, overgedragen. Deze had slechts uit te maken, dat er geene „behoorlijke" overeenstemming verkregen was, om zich de zaak te kunnen aantrekken. De heer van Lijnden ging zelfs zoover, aan te nemen, „met dat artikel in de hand de Staatsbegrooting van de meeste uitgaven voor waterstaatswerken te ontlasten, en dezelve op de provinciale of waterschapsbegrootingen over te brengen."

Karakter van het ontwerp: gedeeltelijke organisatie van het toezicht op den Waterstaat.

Zijn onder waterschapsbesturen ook de polderbesturen begrepen ? Algemeene waterstaatswet. Wet op de verveningen en ontgrondingen. Stellendam. De werken tot oeververdediging van dien polder werden tot nu toe betaald: '/» door het Rijk, 'h door de provincie en ','3 door den polder zeiven. Indien het Kijk en de provincie, vroeg de heer Anemaet, hunne subsidiën introkken, zouden dan Gedeputeerde Staten, krachtens de bepalingen van dit ontwerp, de uitvoering en het onderhoud der noodige werken geheel ten laste van den polder kunnen brengen ?

Amstelland. Het bestuur van Amstelland had zich, bij adres tot de Kamer, beklaagd, dat door het ontwerp de rechten van het waterschap werden gekrenkt.

Steenenhoek. Het kanaal van Steenenhoek was in 1818 gegraven en onder het bestuur van eenen dijkgraaf en hoogheemraden gesteld. De kosten van dit werk waren ten laste van eenige distrikten van Gelderland gebracht, met de bepaling, dat na verloop van 28 jaren geene bijdragen meer konden worden ingevorderd. Toch was daarop nog na 1840 aanspraak gemaakt. In 18-18 hadden de ingelanden daarop alle geldelijke betrekkingen met het kanaal afgebroken.

De regeoring had gezegd, dat de kosten tot instandhouding van het kanaal moesten blijven ten laste van de waterschappen, op wier verzoek het kanaal destijds gegraven was. De heer Mackav hield vol, dat het kanaal een rijkswerk was, en door het Rijk behoorde te worden bekostigd. Dat bleek nog, meende hij, uit de omstandigheid, dat de vluchtheuvels bij den Diefdijk van regeeringswege waren aangelegd. Doch ging het nu aan, vroeg hij, nu de kosten te laag geraamd bleken, voor het overige de provincie aan te spreken ? De Provinciale Staten hadden met het geheele werk niets te maken.

Delfland. Het dagelijksch bestuur van Delfland had de noodzakelijkheid erkend, drie steenen hoofden op een zwak punt der duinbe-

Sluiten