Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schutting ter verdediging van de kust aan te leggen, doch hoofdingelanden weigerden de noodige uitgaven toe te staan, indien niet Ih der kosten door het Rijk en 'ƒ3 door de provincie werd bijgedragen. De verdediging van het zeestrand, voerden zij aan, was niet taak van Delfland, doch van het Rijk. De polders Nieuwland en Noordland, buiten Delfland gelegen, hadden groot belang bij den aanleg der hoofden. Xoordland was bereid geweest in de kosten bij te dragen, doch Nieuwland had zich van alle verdere onderhandelingen teruggetrokken. In dezen stand van zaken had de minister aan Gedeputeerde Staten van Zuidholland in overweging gegeven, krachtens artikel 192 der Grondwet het bevel tot daarstelling der noodige werken te verleenen. Gedeputeerde Staten hadden echter geweigerd daartoe over te gaan, omdat, huns inziens, de middelen hun ontbraken, om de werken uit te voeren, en evenzeer de fondsen, om ze te betalen. Volgens het ontwerp, vreesde de heer Gevers van Endegeest, zouden nu Gedeputeerde Staten gerechtigd worden, het geschil ten nadeele van Delfland uit te maken.

De beraadslaging van gisteren heeft opnieuw getoond, hoe velerlei belangen, van de kleinste tot de grootste, in dit gebied van den waterstaat zijn betrokken.

Men heeft ons in vroeger en later tijd wel eens verweten, dat wij niet waren een militair volk. Het is de vraag, hoe men dien naam opvat; maar een militair volk en een militaire staat mogen wij in dit opzicht, wat den waterstaat betreft, alleszins worden genoemd; ten aanzien van instellingen, van werken, van regeling tot bestrijding van het water als vijand, tot winning, waar het pas geeft, van zijn bondgenootschap, mogen wij ons niet ieder volk, met iederen anderen Staat vergelijken.

Bij den waterstaat, eene, eiken dag en ieder uur waakzame, macht van verdediging, is in zoover — het bleek gisteren dat het hier wordt ingezien — tucht, is eenheid noodig. Waar het geldt tucht en eenheid, daar komt aan de andere zijde het verlangen naar zelfstandigheid, de vraag ten aanzien van de grens tusschen vrijheid en gezag te voorschijn.

Ziedaar het eerste punt, waarop de wet is bestreden. Ik zal niet met ieder van de sprekers, die gisteren dit onderwerp of de onderwerpen daarmede in verband, op eene zoo belangrijke wijze hebben behandeld, in een onderhoud over zijn rede treden; ik zal trachten samen te vatten. Ik zal dit in de eerste plaats trachten te doen met betrekking tot de hoofdbedenkingen ten aanzien van de onderscheidene deelen der wet; dan zal ik sommige algemeene punten of vragen behandelen, en in de laatste plaats nog een woord zeggen van die bijzondere werken of instellingen, die in den loop van de discussie van gisteren de aandacht hebben getrokken of ter sprake zijn gebracht.

Men heeft tegen het eerste deel van het ontwerp nagenoeg geene

Sluiten