Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedenkingen aangevoerd. Ik heb te dien aanzien slechts op het verlangen van den geachten spreker uit Zuidholland, mijn ouden bondgenoot, den heer Anemaet, te antwoorden. Dit geachte lid wenscht meer dan de wet geeft: hij wenscht, dat deze wet of eene andere aan alle waterschappen uitdrukkelijk het recht toekende om keuren te maken.

Zoodanige wet zou, meen ik, nu althans te ver gaan; ik meen zelfs dat zij niet wel zou zijn overeen te brengen niet de Grondwet in zoover deze de constitutie, de organisatie van ieder waterschap afhankelijk stelt van het reglement, en dat reglement wil tot stand gebracht zien door de provinciale macht. Welnu, dat reglement zal moeten zeggen of de onderscheiden waterschappen de macht om keuren te maken zullen hebben, en zoo ja, binnen welke grenzen dat recht zal zijn besloten.

Ik zou ook ongaarne zien, dat eene wet zoover ging, aan de provinciale macht te beletten hetgeen in sommige provinciën met zeer goed gevolg is gedaan, de gansche provincie als het ware tot één waterschap samen te trekken. In dat geval vervalt ook de reden, 0111 het maken van keuren in die beteekenis, welke de geachte spreker daaraan toekent, aan elk afzonderlijk waterschap toe te staan.

Het tivceda deel der wet heeft in de eerste plaats de vraag doen rijzen: is wel voor de zelfstandigheid, voor de vrijheid van de waterschappen — en de vrijheid der waterschappen heeft men een belangrijk deel van onze nationale vrijheden genoemd — bij dit wetsontwerp genoegzaam gezorgd? Men heeft geantwoord, neen, de zelfstandigheid, de vrijheid der waterschappen wordt niet volledig erkend.

Ik geef het toe, zoover men volstrekte zelfstandigheid, volstrekte vrijheid bedoelt; doch deze kunnen niet worden erkend. Zij, die aan de besturen der waterschappen vrijheid en zelfstandigheid in een zóó onbepaalden zin willen hebben toegekend, moeten verder gaan. Zij moeten opklimmen tot den oorsprong, en hun zal ik vragen: waarom eischt gij dan niet dat elke vereeniging vrij zij om naar willekeur waterschappen op te richten ten einde dijken aan te leggen of overlaten en andere dergelijke werken te maken? Waartoe dient het toezicht, dat deze wet wil? Waartoe, dan om hetgeen in den beginne, bij de oprichting, bij het verlof der autoriteiten tot oprichting bepaald was binnen die voorwaarden en grenzen te houden? Wil men nu in het geheel geene grenzen, dan moet men ze zoo min willen in het begin als vervolgens; doch ik geloof niet, dat iemand het zal wagen in dit land zoodanige vrijheid te huldigen, eene vrijheid, die met de vernietiging van ons land, van ons bestaan in een zeer aanmerkelijk gedeelte althans van dit Rijk, zou mogen worden gelijkgesteld.

Indien er (en sommigen hebben dat niet dan huns ondanks toegegeven) zoodanig rechterschap moet zijn als deze wet instelt, het rechterschap zoo als het hier wordt voorgesteld is niet aannemelijk. Het is

Sluiten