Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen zeiven, öf ter zake van hunne verbindtenissen, moesten zijn uitgevoerd. Dat brengt enkel te weeg, dat zij, die, zoo het bestuur van het waterschap niet nalatig ware geweest, reeds zouden betaald hebben, nu zullen moeten betalen, nu die werken op hooger gezag zullen worden tot stand gebracht. Dit is geene straf; zij zullen daarom tot niets meer gehouden zijn dan vroeger, tenzij het bestuur van zoodanig waterschap lang mocht hebben verwaarloosd en nu veel meer moest worden betaald, dan waarmede men vroeger had kunnen volstaan. Zoodanige achterlijkheid evenwel onderstelt voor het vervolg ook eene groote achterlijkheid van toezicht, die noch van de provinciën, noch van het algemeen bestuur is te wachten. Wij moeten niet alleen het belang van het Rijk of dat van de provinciën, wij moeten ook het belang van de ingelanden der waterschappen tegen de besturen zeiven waarnemen.

Er is ook bedenking geopperd tegen het opstel van art. 7 zelf; dat opstel schijnt door sommige sprekers niet duidelijk te zijn gevonden, wat betreft de betrekking tusschen wet, algemeenen maatregel van inwendig bestuur en Koninklijk bevel. Ik dacht deze bedenking, die ook in het verslag is opgenomen, volkomen te hebben opgelost. Wet, algemeene maatregel van inwendig bestuur en Koninklijk bevel komen in dezelfde rangorde meermalen in onze wetten voor, bij voorbeeld in de gemeente* en provinciale wetten. Toen hebben zij geene bedenking gewekt, en zoo toen hun onderling verband is verklaard, dan is dit geschied in denzelfden geest, waarin zij nu zijn gesteld. De maatregel van inwendig bestuur berust op de wet, en het Koninklijk bevel strekt tot uitvoering van dien maatregel of van de wet. Dit is de eenvoudige, natuurlijke betrekking. Waar dus staat: Koninklijke bevelen daartoe betrekkelijk, wil dit zeggen betrekkelijk tot de uitvoering van de wet of van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur. Mochten er echter bezwaren blijven tegen de uitdrukking, zooals die thans luidt, — tegen den zin welken ik daaraan geef, zal, geloof ik, wel geen bezwaar kunnen bestaan, — ik ben tot wijziging bereid. Maar voor dat geval overwege men, dat wij dezezelfde uitdrukking in denzelfden zin reeds in onze wetten hebben, en dat, wanneer men nu eene andere uitdrukking kiest, aan de vorige licht een andere zin zou kunnen worden gehecht; de vraag zou althans kunnen ontstaan: waarom is daar die uitdrukking gebruikt, en waarom is hier aan eene andere de voorkeur gegeven?

Eenige sprekers, die het tweede gedeelte bestrijden, schoon zij het beginsel goedvinden, hebben evenwel zeer zware bedenkingen tegen het derde gedeelte der wet. Waarom niet, zeggen zij, wanneer belangen van waterstaat gemeen zijn aan onderscheidene provinciën, de regeling overgelaten aan de Provinciale Staten? daèr waar overeenstemming tusschen de Provinciale Staten bestaat, is geene tusschenkomst van hooger gezag noodig.

.

Sluiten