Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heuvels, zich over den loop dier aangelegenheid bedrogen. De geachte spreker heeft gezegd: „hoe is het daarmede gegaan? Die vluchtheuvels zouden eigenlijk worden aangelegd ten koste van het Rijk; men heeft ze aanbesteed en toen de daarvoor benoodigde som de raming te boven ging, heeft men subsidie gevraagd aan de Staten van Gelderland." Dit is eene onjuiste voorstelling. Wat is gebeurd? Voor het eerst in 1851 zijn f 10,000 op de Rijksbegrooting gebracht, om, aan den Diefdijk, vluchtheuvels te stichten. De geheele uitgave was geraamd op 110 a 120,000 gulden, maar gelijk ik toen meen gezegd te hebben, men rekende op bijdragen van de provincie Gelderland en op plaatselijke hulp, daar de vluchtheuvels zouden dienen ter beveiliging van personen en eigendommen der meest bedreigde gemeenten. Derhalve, onmiddellijk nadat die begrooting was aangenomen, waarop f 10,000 waren gebracht, is van mijnentwege geschreven aan de Gedeputeerde Staten van Gelderland, om in de eerstvolgende vergadering eene provinciale bijdrage in overweging te brengen. Dat is de oorspronkelijke loop van de zaak: door de wetgevende macht zijn die f 10,000 in dat jaar toegestaan als een subsidie, geenszins om daaruit dergelijke werken van Rijkswege alleen te bestrijden, die voor een groot, zoo niet voor het grootste deel, van plaatselijk en provinciaal belang zijn.

Eindelijk Delfland. Ten aanzien van Delfland heeft de geachte spreker uit Zuidholland, afgevaardigde uit Leiden, ons gisteren voorgedragen eene technische verdediging der handelwijze, niet van het bestuur, maar van de hoofdingelanden, welke aan die hoofdingelanden zeiven nog niet in de gedachte was gekomen. De geachte spreker heeft ons gezegd: eene uitbreiding der steenen hoofden, het leggen van een nieuwen dijk, waren niet noodig om Delfland, maar alléén om den Haag te dekken.

Ik laat dit punt van technische beschouwing geheel daar; ik wil alleen hierop wijzen, dat in het eigen adres, hetwelk hoofdingelanden van Delfland aan deze Kamer hebben gericht, de rampen breed zijn uitgemeten — en ik geloof niet geheel te onrechte — die, bij het niet maken dier noodzakelijke werken voor Delfland het gevolg zouden zijn.

Men herinnere zich het voorgevallene. Het bestuur van Delfland, het dagelijksch bestuur, het college van heemraden, erkende de noodzakelijkheid van die werken, van die steenen hoofden, van de dijkversterking; in dat opzicht stemden de hoofdingelanden met het dagelijksch bestuur overeen; het heemraadschap had vroeger twintig of meer hoofden gelegd; doch nu het er op aankwam, drie nieuwe te stichten, maakten hoofdingelanden bezwaar in de kosten, tenzij het Rijk en de provincie die met hen deelden. Zij vreesden, dat hun, bij gevolgtrekking, het dekken der kust tot Scheveningen toe zou kunnen worden opgelegd. Zij riepen ook als reden in, dat de verdediging van het zeestrand toch eigenlijk aan het Rijk behoorde.

Sluiten