Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In mijne onderhandelingen, voor een paar jaren met de hoofdingelanden gevoerd, heb ik getracht het onbillijke, inzonderheid van het laatste betoog, aan te toonen.

Ik heb gezegd: ik erken, dat, in het afgetrokkene beschouwd, de Staat kan worden geacht te moeten bijdragen tot verdediging van het strand, als zoodanig; maar ik heb, daargelaten of het hier het behoud der zeekust geldt, gevraagd, of die theorie overeenkomstig is niet onze instellingen. Zoo het Rijk, overeenkomstig dien verlangden regel, Delfland helpt bedijken, waarom niet Noordholland? Dat zou gevolgen hebben, die wij nooit op ons zouden kunnen nemen, dan bij geheele verandering van het stelsel van den waterstaat, en die verandering is op het oogenblik nog niet aan de orde.

Terwijl het dagelijksch bestuur van Delfland op het leggen der steenen hoofden bleef aandringen, volhardden hoofdingelanden bij hunne weigering om de kosten te betalen. Thans echter is het geheele verschil, ook zonder toepassing van deze wet, af te doen, enkel ten gevolge van het nieuwe reglement van Delfland, hetgeen zoowel in de geschillen ten opzichte van de polders het Noordland en het Nieuwland, als rakende deze kosten, heeft voorzien. Het nieuwe reglement heeft vooreerst, op verzoek van die polders zeiven, hen onder Delfland gebracht, en in de tweede plaats aan Gedeputeerde Staten zoowel de beslissing over het maken van werken, als de middelen, de macht namelijk om een omslag tot bestrijding der kosten te doen, opgedragen.

De zaak beschouwd zoo als zij bestond vóór dat het nieuwe reglement van Delfland was aangenomen, zal men — zonder zich partij te stellen voor den een of den ander, voor het dagelijksch bestuur, de Gedeputeerde Staten of hoofdingelanden — zal men, zeg ik, moeten erkennen, dat zij niet zonder beslissing kon blijven: er moet een weg zijn om een afdoende uitspraak te erlangen, en er moeten middelen zijn om die ten uitvoer te brengen.

De heeren Gevers v. Endegeest, Dommer van Poldersveldt en Mackay kwamen op hunne bezwaren terug. Het oppertoezicht des Konings, meende de heer Mackay, kon nooit omvatten het opleggen van een verplichting aan een waterschap.

Ook was het hem niet duidelijk, hoe, met eerbiediging van de zelfstandigheid van een waterschap, daaraan eene verplichting zou kunnen worden opgelegd bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

Op het voorbeeld van den heer Gevers drong nu ook de heer Mackay op eene dubbele beslissing aan: de eerste over de noodzakelijkheid tot het aanleggen der werken, de tweede, om uit te maken wie tot het volbrengen van het werk verplicht is. Inmiddels konden dan, zoodra over de noodzakelijkheid was beslist, de werken vast worden gemaakt „op kosten van ongelijk".

Ik ben erkentelijk aan de sprekers, die mij in de gelegenheid hebben

Sluiten