Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker lieeft onderscheidene punten aangeroerd, en ik geloof dat de Vergadering zal goedvinden, dat ik met een enkelen weêrslag op ieder van de hoofdpunten volsta.

Vooreerst: „de rivierwerken," heeft de geachte snreker gezegd, „brengen licht en dikwijls nadeelen aan de werken van particulieren." Ik zal daar eene omstandigheid tegen overstellen. Te voren deed de Regeering aan de rivieren niets: de particulieren deden alles en moesten alles doen. En nu sedert eenige jaren, welk een aanzienlijk gedeelte van de werken aan de oevers van de rivieren èn tot beveiliging dier oevers èn tot verbetering van het vaarwater heeft het Gouvernement voor zijne rekening! Zoo een particulier aanspraak heeft op schadeloosstelling ten gevolge van een Gouvernementswerk, hij kan die aanspraak doen gelden.

De geachte spreker heeft gemeend te moeten twijfelen aan de juistheid van het vermoeden, dat ik te kennen gaf, dat deze wet zich zelve overbodig zou maken. Dü geachte spreker heeft mijne gedachte niet gevat; ik heb dit gemeend: wanneer deze regelen en de macht om die te doen betrachten bestaan, dan zullen de besturen niet langer nalatig zijn.

„Er is een verschil tusschen de wet van 1806 en dit voorstel van wet," zegt de spreker; „en de wet van 1806 spreekt van onmiddellijk belanghebbenden en dit voorstel van degenen, die verplicht zijn in dat werk te dragen." Ik moet zeer twijfelen, of bij eene uitvoering der wet van 1806 anderen zullen kunnen worden belast, dan zij die het ten gevolge van dit voorstel zijn. Onmiddellijk belanghebbenden kan, uit eigenbelang, anders worden begrepen door den een dan door den ander Wordt door een waterschapsbestuur een groot werk ondernomen, al is er dan een ondergeschikt polderbestuur dat daarbij schade lijdt, dat groote werk kan daarom niet onuitgevoerd blijven. De belangen van een polderbestuur, van één eigenaar moeten zwichten voor het algemeen belang; en dat polderbestuur, die eigenaar zullen, als behoorende tot het waterschap dat het werk doet uitvoeren, daaraan mede moeten betalen.

De geachte spreker meent, dat, wanneer wij door deze wet eens op weg zijn van deze beginselen, wij moeilijk daarvan kunnen afwijken. Ik hoop het, Mijne Heeren, ik hoop dat wij er nimmer van zullen afwijken, want ik beschouw ze als de ware. Maar ik moet toch aanmerken, dat wij sinds lang den weg van die beginselen zijn ingeslagen, en dat deze wet niet anders doet, dan de middelen scheppen, om beginselen te doen werken, die sedert bijna eene halve eeuw in onze wetgeving zijn opgenomen.

He geachte spreker is, evenals de afgevaardigden uit de hoofdstad en uit Nijmegen, teruggeko'nen op het zeggen, dat hier onschuldigen zouden worden gestraft. Een merkwaardig voorbeeld, dunkt mij, hoe men

Sluiten