Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet reeds bestaande werken en met het regelen van de gevolgen, zoo aan die werken de hand niet, zooals het behoort, wordt gehouden. Het komt hier niet alleen aan — dit wensch ik nog ten slotte te zeggen — op het maken van nieuwe werken, maar ook op het doen vervallen, op het slechten van werken. Men ziet toch menig voorbeeld, dat men in heemraadschappen heeft goedgevonden een dijk hooger op te trekken, een overlaat te verzwaren, en aan zulk een bestuur moet kunnen gezegd worden, dat niet te doen. Dit kon tot dusver niet worden tegengegaan: zoo een waterschap zich niet hield aan de oorspronkelijke voorwaarde, waarop een werk moest worden aangelegd, dan was er geen middel 0111 het tot die voorwaarde terug te brengen. Aan zoodanig middel is echter behoefte, en deze wet geeft het.

Art. 1. Bij verscheidene polders, zei de heer de Raadt, waren de rechten en verplichtingen niet volgens een reglement, maar krachtens gewoonte bepaald. Zouden dan die waterschapsbesturen keuren kunnen uitvaardigen, en tegen overtreding straf bedreigen ? of mocht men in dit geval niet aan „wettig uitgeoefende bevoegdheid", gelijk het ontwerp verlangde, denken'?

Mijnheer de Voorzitter, ik aarzel niet, aanstonds ja te zeggen op de vragen van den geachten spreker. Ik zou zelfs eene schrede verder durven gaan. Ik zou gelooven, dat het niet wel mogelijk is, dat iemand een ander antwoord geve. Er staat in de wet: „wettig uitgeoefende bevoegdheid." Welnu, zoolang er geen regel tegenover staat, zoolang men niet door een reglement wordt belet, zoolang geene wet het verhindert, is niets tegen de wettige uitoefening in te brengen. Hier, als in andere provinciën, was het een algemeen recht, dat men keuren maken mocht, zoo men een zelfstandig polderbestuur was; en men zou eene verordening van hooger hand moeten aanwijzen, die het recht zooals het tot nu toe was uitgeoefend buitensloot. Ik geloof, dat de polders, in den toestand verkeerende, dien de spreker bedoelt, niets anders dan het costumiere gebruik behoeven te bewijzen.

Art. 6. Het politierecht der waterschapsbesturen, om molens enz., waarmede overtreding was gepleegd, ten koste van den overtreder te sluiten, verzegelen, of op andere wijze buiten gebruik te stellen, werd in dit artikel gehandhaafd. Sommige waterschapskeuren, merkte de heer Gevers Deynoot op, hadden dit politierecht onder de straffen opgenomen. Behoorde dit politierecht aan een termijn te worden gebonden ?

Ik behoef niet te zeggen, Mijnheer de Voorzitter, dat ik gaarne overwegen zal, hetgeen de geachte spreker uit de hoofdstad (de heer van Nierop) heeft aanbevolen. Voor het overige zou ik ook groot bezwaar zien in het stellen van een termijn; en wat de bedenking betreft van den geachten' spreker uit Rotterdam, die de noodzakelijkheid van dezen maatregel, ten gevolge zijner uitnemende ondervinding, weet te waar-

Sluiten