Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het dit is, en ik durf mij niet vleien, dat aan eenig ontwerp, in het vervolg voor te dragen, de eer van eene meer nauwgezette behandeling zal te beurt vallen. Ik meen, dat, zoo van de zijde der Kamer, waarvoor haar erkentelijkheid toekomt, de kritiek niet is gespaard, ook van den anderen kant door de Regeering niets is ontzien, om elk der bezwaren, zooveel in haar is, op te lossen.

Rijper beraad zou dus hier even ongepast zijn als aan het eind van welke discussie ook, over eenig voorstel van wet. Men kan iedere wet vatbaar verklaren voor rijper beraad. Maar iets anders is het, zich tijd voor te behouden voor rijper beraad, iets anders eindelijk te komen tot het vaststellen van beginselen, die men voor de uitvoering, voor de handeling noodig keurt.

De Kamer, zegt de geachte spreker, wil geenen doelloozen strijd. En gewis, deze Kamer zal dien niet willen en geene kamer zal dien willen. Maar ik vraag, of niet de tegenspraak van sommige leden doelloos moet schijnen. Welke toch is de strijd van sommige sprekers, met name van den spreker uit de residentie? Hij zegt: de hoofdgedachte der wet is goed: en toch zal hij die afstemmen. De geachte spreker stelt niets in de plaats, en voldoet alzoo niet aan den eisch van het gemeen overleg. Wanneer men vindt, dat zooveel is gedaan als hier, en bezwaren opsomt zonder zelf iets te doen oni die uit den weg te ruimen, ik geloof dat men zich onttrekt aan het gemeen overleg, hetgeen men zegt te willen.

„Het is geen politieke kwestie"; geene politieke kwestie in eenen nauweren, hoogeren zin, zoo men wil. Het is hier eene zeer gewichtige vraag van administratief recht. Men zou kunnen zeggen, bij de behandeling der begrooting, waar de Minister onder zekeren post een cijfer vroeg, om deze of gene bepaalde uitgaaf te doen, het is geene politieke kwestie; het is eene geldkwestie, een cijfer. Volkomen waar. Maar de Minister rekent, dat voor de handhaving van het bestuur, voor het algemeen belang, die uitgaaf moet gedaan worden. Stelt men hem nu buiten de mogelijkheid, die uitgaaf te doen, men onthoudt hem de voorwaarden, de middelen van zoodanig bestuur als hij alleen op zijne verantwoording meent te kunnen nemen, in zóóverre kan het politieke van het administratieve noch in deze vraag, noch' in dergelijke vragen worden afgescheiden.

De hoofdgedachte der wet, van art. 7, is goed, zegt de geachte spreker; maar het is een geïsoleerd beginsel, dat overgenomen kan worden in de algemeene wet, en daar zal worden getemperd door andere beginselen. Zóó getemperd kan aannemelijk worden wat nu onaannemelijk is. Ik wenschte, dat de geachte spreker gezegd hadde, op welke wijze die tempering moet plaats hebben. Mijne meening is, dat die beginselen gaaf moeten blijven. Zij drukken één stelsel uit. De algemeene wet zal, mijns inziens, dat stelsel niet mogen verzwakken. Temperen toch, wat de geachte spreker zoo noemt, zal wel verzwakken bethorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 15

Sluiten