Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nekkige oppositie tegen eene. wet, want dan zou óf de verdediging van den Minister krachteloos worden, of hij zou vervallen in eene wijze van beantwoording die de Vergadering zou uitputten van verveling. Men kan zeggen wat men wil, men heeft volkomen vrijheid van spreken; maar men moet het aan den Minister overlaten, te beantwoorden of niet te beantwoorden, zooals het hem voorkomt ter zake dienstig te zijn. Wanneer de Minister gesproken heeft, en de geheele rede van den geachten spreker is niets anders geweest dan een zoeken van wederlegging op het gesprokene van den Minister van gisteren, — wanneer zeg ik, de Minister gesproken heeft en hij meent dat door de volgende sprekers niet wordt wederlegd hetgeen hij heeft gezegd, ik geloof hij is in de parlementaire orde, hij betracht zelfs de parlementaire betamelijkheid, zoo hij voorbijgaat en de Kamer laat beslissen.

De spreker — en dit punt zal ik wèl opnemen — de spreker noemt eene inconstitutioneele dwaling — ik zou eer in den zin van den geachten spreker zeggen eene constitutioncele dwaling — hetgeen door den spreker uit Friesland (den heer Jongstra) en ook door mij is in het midden gebracht, tegen hetgeen hij zelf heeft gemeend te moeten zeggen op hetgeen de afgevaardigde uit Leiden had beweerd.

Ik heb het eene moeilijke, ja onmogelijke taak genoemd, die men vergt van den Minister, zoo men, de hoofdgedachte eener voorgestelde bepaling goedkeurende, evenwel, zonder iets anders voor te stellen, afstemt. Daarop heeft de geachte spreker gezegd, dat de vraag van wege de Regeering niet kan wezen: „gij, die een verwijt hebt tegen de wet, — wat wilt gij dan?" maar alleen: „wilt gij dat, wat hier wordt voorgesteld, of niet?" Mij dunkt, de spreker dwaalt. Die laatste vraag ware volkomen gepast, indien onze Grondwet het recht van amendement uitsloot; maar waartoe dient dat recht? Zoo de Vergadering niet kon amendeeren, dan behoorde men te vragen: „Wilt gij dat wat hier wordt voorgesteld, ja of neen?" Maar heeft de Vergadering het recht van amendement, dan kan, bij goedkeuring van het beginsel, verbeterde ontwikkeling of redactie van de medewerking der leden van de Vergadering worden verwacht.

De geachte spreker heeft zich gebelgd getoond over sommige aanmerkingen, die ik gemaakt had op zijne redevoering. Ik geloof hij heeft ongelijk; hij zal den aard zijner kritiek, de wijze en toon zijner tegenspraak hier en buiten deze kamer moeten veranderen, wil hij niet meer aan eene zeer natuurlijke en in mijn mond zeer zachte aanmerking blootgesteld zijn. Ik geloof den geachten spreker te durven verzekeren, dat zoo niet elkeen met zoo vele woorden gelijk oordeel over zijne manier van tegenstand en van discussie velt, elk het niet te min op de tong heeft.

De experts, waarop zeker veel bij de uitvoering dezer wet zal aankomen, zullen, zegt de geachte spreker, niet samenspannen met het Gouvernement en met de provinciale macht, maar toch toegeven aan de

Sluiten