Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weegredenen, de woorden te voegen: „of in het beheer te voorzien," zoodat dit nommer alsdan zal luiden:

,,2o. aan Gedeputeerde Staten de macht worde verleend, om, bij „onwil of verzuim van besturen van waterschappen, de vereischte wer,,ken te doen uitvoeren, of in het beheer te voorzien."

Voorstel van den heer Dirks om in plaats van „bij onwil of verzuim" te schrijven „bij verzuim of weigering''. Ook wenschte hij het slot te lezen: „in het beheer van waterschappen, waarbij geen bestuur aangewezen is te voorzien". Die woorden, zei hij, waren ook in het opschrift van § 2 gebezigd.

Ik ondersteun ook het eerste gedeelte der wijziging. Dit is volkomen juist; het is mij ontgaan, en ik mag den laatsten spreker dankbaar zijn.

Tegen het tweede gedeelte der wijziging heb ik deze kleine bedenking, dat dan in de eerste plaats het considerans niet gelijkluidend zal zijn met het opschrift van § 2, en gelijkluidendheid heeft de spreker, zeer terecht, doen gelden als een grond voor het eerste gedeelte van zijn amendement. Hier zal het considerans uitvoeriger worden, wat het tweede gedeelte betreft, dan het opschrift; en nu, daargelaten de vraag of dat goed is, vraag ik of het noodig is zoo uitvoerig te zijn bij het considerans? Zoo eenvoudig gezegd wordt „in het beheer te voorzien", zal men alle gevallen, waar in het beheer zal worden voorzien, vinden in de wet. Men kan, geloof ik, in het considerans zeer kort zijn, omdat het stelsel vervolgens in de wet volledig wordt uiteengezet. Ik zou dus meenen, dat het genoeg zou kunnen worden geoordeeld, bij het tweede gedeelte aan het slot enkel te voegen: „of, in het beheer te voorzien".

Ik zou dus den geachten spreker willen voorstellen, nog eens te overwegen, of hem zeiven de korte woorden, die aan de duidelijkheid niet schaden, niet beter voorkomen dan de grootere uitvoerigheid, waardoor zelfs buiten het spoor van het opschrift van § 2 getreden wordt.

Het wetsontwerp werd met 40 tegen 21 stemmen aangenomen.

11 Maart. Wetsontwerp tot regeling van den plicht der provincie om behoeftige gemeenten te hulp te komen. Algemeene beraadslaging. Het ontwerp was in beginsel hetzelfde, dat 's vorigen jaars was ingediend (vergel. Dl II, 3851—1852 blz. 352), doch in de Eerste Kamer werd afgestemd (vergel. Dl. II, blz. 366). Het eenig artikel luidde: „Aan eene gemeente, onvermogend om in dringende behoefte harer huishouding te voorzien, wordt uit de kas der provincie onderstand verleend.

„Wanneer deze onderstand op de helft van hetgeen de krachten der thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 16

Sluiten