Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het armbestuur verklaart de gemeenten bevoegd om onderstand te verleenen, en beschouwt zelfs den onderstand aan behoeftige ingezetenen te verleenen als een natuurlijken plicht der gemeenten, maalais een plicht, waarvan de vervulling in ieder geval afhankelijk is van de beoordeeling van het gemeentebestuur, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden en plaatselijke middelen. Dit is eene zeer billijke grens. „Die grens wordt uitgewischt" zegt de spreker, „door deze wet, want nu zal men niet meer letten op de plaatselijke middelen; nu zal men meenen, de provinciale kas, de kas van het Rijk tot zijnen dienst te hebben." Indien de wet daartoe kon strekken, zij zou eene heillooze wet zijn. Maar daar is niet aan te denken. Wat toch zal gebeuren, wanneer uit dien hoofde eene gemeente onderstand mocht vragen? Wat zal gevraagd worden van de andere zijde? Vooreerst, van de zijde der provincie: hoe gaat gij niet uwe armen om? hoe is het bestuur geregeld? En de wet tot regeling van het armbestuur stelt ook eenige regelen, waaraan, zonder eenigen twijfel, de gemeenten kunnen gehouden worden. „Hoe gaat gij niet de armen 0111? Zoo gij uw armbestuur op een meer bescheiden voet bracht, zoudt gij geene behoefte hebben." Dat onderzoek wordt opnieuw gedaan bij het Rijksbestuur. Ik geloof niet dat te vreezen is, dat, indien bleek, dat een gemeentebestuur niet het oog op onderstand uit de provinciale kas of 's Rijks schatkist te rijkelijk bedeeelde, op eenige hulp van de zijde der provincie of des Rijks zou kunnen worden gerekend. En er staat tegenover: zoo inderdaad een gemeentebestuur in zijne behoeften niet kan voorzien, dan is de hulp van de provincie, van het Rijk, noodzakelijk, billijk, rechtvaardig.

Dat zoodanige subsidiën tot ondersteuning der armen, zooals menigvuldig worden verleend in alle provinciën, niet dan bij uitzondering moeten worden verleend, slechts daar waar de behoefte zeer nijpt, dit ben ik volkomen met den geachten spreker eens. De werking dezer wet zal zijn, die subsidiën eer in te krimpen dan uit te breiden. Men zal veel strenger letten op de behoefte, op hetgeen men verplicht is te geven, dan tot dusver. De geachte spreker vraagt: hoe zal de Regeering over de meerdere of mindere behoefte van de armen van eene gemeente oordeelen? Wanneer die vraag gebracht wordt in de vergadering van de Provinciale Staten tengevolge van het aanzoek om subsidie, dan zal nauwkeurig worden nagegaan, of volgens de regelen der wet en eener goede armenhuishouding wordt bestuurd. Dat dus de genieenten geen belang meer zouden hebben, 0111 behoorlijk, om spaarzaam te besturen, is niet aannemelijk.

De spreker heeft in bedenking gegeven, eene grens te bepalen. Zijn voorstel te dien aanzien stelt mij gerust omtrent de mogelijkheid, zijn bezwaar weg te nemen. Dat bezwaar toch is evenzeer toepasselijk op gemeenten beneden, als op genieenten boven zes duizend zielen.

16*

Sluiten