Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik neem wel aan, dat de wet in verre de meeste gevallen slechts bij gemeenten beneden zesduizend zielen zal te pas komen; maar ik kan niet overzien, of het niet even onbillijk, even onrechtvaardig zou wezen, soms van zoodanige noodzakelijke hulp, als welke volgens dit ontwerp verleend zal worden, gemeenten boven zes duizend zielen te versteken; even onrechtvaardig, even onbillijk, als het, volgens dit voorstel van wet en ook volgens het voorstel van den geachten spreker, onbillijk, onrechtvaardig zou zijn daarvan eene gemeente beneden zes duizend zielen te versteken. Ik ben dus huiverig eene bepaling te stellen, die voor sommige gemeenten mogelijkheid geeft van eene tegemoetkoming, welke voor andere gemeenten volstrekt zou worden buitengesloten.

De tweede spreker, de afgevaardigde uit Arnhem (de heer Mackay), heeft in de eerste plaats zijne bedenkingen ontleend uit de menging van het centraal gezag in de behoeften van de provinciale of gemeentehuishouding. Hij heeft ondersteund hetgeen wellicht — ik herinner het mij niet zoo juist — kan gezegd zijn in eene andere Kamer, dat Rijks-, provincie- en gemeenteuitgaven volstrekt moesten zijn gescheiden, en dat, in zooverre, ook de Staten van Overijsel het recht hadden 0111 subsidie aan Schokland te weigeren.

Ik begin niet dit voorbeeld. De spreker heeft het zich niet juist herinnerd; het Gouvernement is niet met Overijsel begonnen te twisten over Schokland; Overijsel heeft jarenlang het subsidie, dat volstrekt noodzakelijk is voor Schokland, gedragen en op de provinciale begrooting gebracht; maar de Provinciale Staten hebben toen op eens, zonder dat eerïige onderhandeling daarover had plaats gehad, besloten dien onderstand, dat subsidie, van de begrooting weg te laten, omdat Schokland niet behoorde tot de provincie Overijsel. Ziedaar de geschiedenis dezer zaak.

Dat de Rijks-, provinciale en gemeentekassen zoo volstrekt zouden gescheiden zijn, als de geachte spreker aanneemt, kan ik hoegenaamd niet beamen; zulk eene stelling houde ik èn voor strijdig met de Grondwet, èn voor vernielend voor onze Staatsinrichting. Daar is een innig, een organisch verband tusschen gemeenten, provinciën en het Rijk; daar is eene onmiskenbare verplichting om te hulp te komen, overal waar groot of klein, waar eene provincie of eene gemeente hulp noodig heeft, waar moet worden gegeven. Dat de gemeenten en de provinciën niet zouden kunnen worden verplicht om tot de behoeften van het Rijk bij te dragen, eene dergelijke stelling is volkomen strijdig met onze wetten; zij zijn er toe verplicht, en evenzeer is ook het Gouvernement verplicht bij te dragen tot den publieken dienst der proprovinciën en der gemeenten, zoo die daarin zelve niet kunnen voorzien.

De geachte spreker is opgeklommen tot den oorsprong van den Staat, en heeft gezegd, dat de Staat niet de gemeenten heeft gevormd, maar

Sluiten