Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegde blijven: „de gemeente is behoeftig"; het zal moeten worden betoogd, of men zal het tegendeel kunnen bewijzen.

En wat is voorafgegaan? De spreker herinnere het zich: eene onderhandeling met de Provinciale Staten. Beschouwen de Provinciale Staten de gemeente als niet behoeftig; willen zij de behoefte niet erkennen en geen subsidie verleenen; mocht het Gouvernement anders oordeelen en de kosten voor de helft op de begrooting der Staten en voor de andere helft op de Rijksbegrooting brengen, dan zal bij de Provinciale Staten eene publieke discussie zijn voorafgegaan, die onder anderen aan den geachten voorsteller ter oore komen zal. En zullen niet de Provinciale Staten, nadat zoodanige post op de Rijksbegrooting zal zijn gebracht, en zij de behoefte eener gemeente niet hebben erkend, welke door het Gouvernement wel erkend is, hunne handelwijze hier, bij een adres aan de Kamer, kunnen rechtvaardigen? Eene proef, die zij licht zullen nemen. Aldus zal de Kamer worden ingelicht, niet slechts door het gezegde van een of ander toevallig met de lokale omstandigheden beter bekend vertegenwoordiger, maar door een proces dat geruimen tijd gevoerd is met eene der groote vergaderingen in het land, en ten laatste hier zal worden beslist. Zooveel is zeker, dat de Minister, die, onder deze voorwaarden, ten behoeve eener gemeente, de provinciale en Rijksbegrooting zonder voldoende gronden verhoogde, alles tegen zich zal hebben.

Het amendement van den heer van Nierop wordt met 40 tegen 14 stemmen afgekeurd.

18 April. Interpellatie van den heer van Doorn over de instelling van bisdommen in de Nederlanden. Bij pauselijke breve van 4 Maart was de bisschoppelijke hierarchie in ons land hersteld. De bewoordingen dier breve, en van de daarop gevolgde pauselijke allocutie tot het college van Kardinalen, op 7 Maart, aan het eind dier maand, terwijl de Kamer op recès was, hier te lande bekend geworden, hadden het protestantsche gedeelte van de bevolking tot het uiterste geprikkeld.

Op 13 April kwam de Kamer weder bijeen. De heer van Doorn leidde de interpellatie in en verlangde van de regeering volkomen inlichting over hetgeen was voorgevallen. De minister van justitie, wien, als voorloopig belast met het ministerie voor de zaken van den Roomsch Katholieken Eeredienst, de interpellatie inzonderheid aanging, had het standpunt der regeering uiteen gezet: overeenkomstig de Grondwet kwam aan elk kerkgenootschap de vrijheid toe, zijn inwendig bestuur naar eigen goedvinden te regelen ; de regeering had alleen den plicht toe te zien, dat niets zou worden toegelaten, wat strijdig was met de Grondwet, of de rust en de veiligheid van den Staat in gevaar zou kunnen brengen. Even als elk ander kerkgenootschap had dus de

Sluiten