Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft hij ons gezegd, — het is het kenmerk van dat tijdstip onzer geschiedenis, dat hij bijzonder lief heeft, en waarvan hij het karakter op alle volgende tijdperken zou willen drukken. Hij heeft eene voorstelling van dat tijdperk onzer geschiedenis gegeven, waaruit zou blijken dat ons volk, onze instellingen altoos door verdraagzaamheid hebben uitgemunt. Mijne Heeren, dat is eene zóó individueele beschouwing, dat ik mij daaraan niet durf wagen. Ik voor mij zie onze geschiedenis anders in; ik heb een ander begrip van verdraagzaamheid. Ik durf nu met den geachten spreker niet te dingen over de gronden voor en tegen. En zoo zal ik nu ook met den geachten spreker niet twisten hierover, dat de roomsch-katholieken hier te lande nooit geleden hebben dan onder den invloed van de vrijzinnige theorieen.

Het is eene grief, dat de Regeering de gemoedsstemming van de protestanten en die van de roomsch-katholieken zou hebben miskend. Ik vraag, miskenning of juiste waardeering, welke gevolgen leidt gij er uit af ten aanzien van hetgeen de Regeering had behooren te doen en door de Regeering niet is gedaan'?

Wat de geachte spreker als karakter van het Gouvernement wil, wat hij zou wenschen door de Regeering gedaan te zien, heeft hij duidelijk genoeg geopenbaard, onder andere ook door inroeping der geschiedenis van Engeland ten jare 1G88. Hij heeft gezegd: wél, men heeft toen geene „valsche gelijkstelling" gegeven, dat wil zeggen, men heeft een protestantschen Staat gevestigd; men heeft toen door het niet geven van eene valsche gelijkstelling eene emancipatie van de katholieken voorbereid, die eenige eeuwen later, ten gevolge van de hooge wijsheid van 1688, heeft kunnen plaats vinden; het besluit ligt nabij, dat ook hier te lande dergelijk uitstel den geachten spreker bijzonder welkom ware.

De spreker heeft besloten met de verzekering dat het ons, dat het licm onmogelijk is, onbezorgd te zijn ten aanzien van zekere richting die in de roomsche kerk bestaat. De geachte spreker heeft niet juist gezegd welke richting hij bedoelt. Ik geloof dat hij, sterk in zijn geloof, vast in zijne overtuiging, zonder eenige beduchtheid behoeft te zijn. Maar wil hij dat de Regeering hem helpe om zoodanige bezorgdheid van hem af te nemen, hij wijze het middel aan, en wij zullen zien of dat middel volgens de Grondwet in werking zal kunnen worden gebracht. Dat echter, wat hij heeft willen betoogen, heeft hij niet betoogd; hij heeft zelfs geen begin van betoog geleverd, dat het gedrag der Regeering strijdig zou wezen met de Grondwet, strijdig met den aard, de roeping van de Nederlandsclie Regeering. Hij is vooral in gebreke gebleven der Regeering aan te toonen wat zij behoorde te verrichten.

De Regeering heeft verlangd, Mijne Heeren — gij hebt het gehoord — dat van wege het roomsche Hof mededeeling wierd gedaan èn ten aan zien van het tijdstip èn ten aanzien van de wijze van regeling. Gesteld dit ware gebeurd, het Gouvernement zou wellicht in bedenking hebben

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 17

Sluiten