Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt door het Bijblad, is bestemd om blijvend te zijn. Wat ontbreekt ons? Ons ontbreekt niet eene volledige en nauwkeurige mededeeling in het Bijblad, maar eene dagelijksche goede mededeeling in de couranten. Zoo wij die hadden, gelijk men ze heeft in andere landen, Frankrijk, Engeland, België, ik geloof, iedereen zou er vrede mede hebben, dat de mededeelingen in het Bijblad iets langer wegbleven, om, herzien, ook over jaren nog met voldoening te worden gelezen. Een dagelij ksch, doeltreffend overzicht ontbreekt ons, doch ik hoop dat, zooveel van de Regeering afhangt, daarin binnen korten tijd zal worden tegemoet gekomen.

Ik hecht uitnemend veel aan eene spoedige publiciteit zooveel betreft den loop van de discussiën in het algemeen, niet aan eene spoedige publiciteit in zooverre het aankomt op eene volledige geschiedenis van hetgeen hier is gedaan. Ik herinner mij dat eenigen onzer landgenooten eene zitting van het Parlement bijwoonden, waarin Peel lang gesproken had. Zij brachten na de zitting den Minister een bezoek, spraken over zijne redevoering en over den indruk, dien andere sprekers op hen gemaakt hadden. Peel antwoordde: ,,ll nc fuut pas hous entendre, il fuut uous lire." Dit is op de mededeeling van parlementaire redevoeringen meestal toepasselijk. En zoo dit waar is in Engeland, zoo het waar kan zijn in Frankrijk, het is bovenal waar in ons land. Ik wensch niet de eer, die ons toekomt, eenigszins aan te randen, maar ik geloof terecht te mogen zeggen, dat wij, in den gewonen omvang en in het openbaar sprekende, niet spreken met die nauwkeurigheid, waarmede gesproken wordt in het publiek of in den gewonen omvang in andere landen; met die nauwkeurigheid, die vereischt wordt, zal het geschrevene met genoegen worden gelezen. Het is geheel iets anders te spreken en met genoegen te worden gehoord, dan te schrijven en met genoegen te worden gelezen. Het is geheel iets anders te worden verstaan wanneer men spreekt, en te worden verstaan wanneer datzelfde geschreven wordt voorgelegd.

Wat nu betreft hetgeen in dit Reglement gevergd wordt van de Ministers, het komt mij te zwaar voor. Er is niet aan te voldoen. Het nazien van hetgeen men gesproken heeft is — misschien geef ik nu slechts een persoonlijken indruk — voor mij althans, de onaangenaamste, de meest vervelende taak, die ik ken; sprekende heb ik mij bevrijd, en nu komt mij dat in den vorm van een groot pak terug. Ik ken nauwelijks onaangenamer verschijning. En nu zal ik, nog in de volle vreugde over de verworven vrijheid, dat pak denzelfden avond ontvangen. Nu zal ik het moeten nazien — wanneer ik er tenminste eenigen prijs op stel — in den loop van denzelfden avond. Ik moet verklaren, dat het mij, bij den besten wil, doorgaans onmogelijk zou wezen. Ieder heeft zijn werk, en ik wil niet zeggen, dat de Minister meer te doen heeft dan een ander, die ook zeer bezig kan zijn, maar

Sluiten