Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Ik vinde drie redenen opgegeven:

1. Bevrediging eener opgewekte bekommering.

Er is eene rilling over het land gegaan, onder den indruk, dien eene pauselijke allocutie gaf, dat, door de invoering van bisschoppen, de drie laatste eeuwen waren uitgewischt, en men, kerkelijk, plotseling in den tijd van Karei V of Filips II was teruggedrongen. Rome's alom in- en tusschendringende macht vertoonde zich, meende men, opnieuw in hare meest dreigende houding. De vrijheden, de rechten van het Protestantisme waren, meende men, in gevaar.

Ik loochen het verschijnsel, het bestaan van het gevoel niet, maar rechtvaardigt het een voorstel van wet als hetgeen voor ons ligt?

Ik voorzie geene tegenspraak, wanneer ik zeg: geen vernederender schouwspel op liet Staatsgebied, dan wanneer Regeering en Wetgeving de gedienstige slavinnen worden van een volkswaan van den dag.

Moest men vragen, of de bekommering hoog gestegen en de gemoederen gespannen waren, dan of voor die bekommering en spanning reden bestond, en zoo ja, of zij onder het bereik der Regeering viel?

Ik wil niet vragen, of men, bij de schildering der gevaren, het onderscheid der tijden niet vergat; ik zou kunnen zeggen, dat de beweging van April op haar zelve genoegzaam bewees, hoe weinig wij van Rome hebben te vreezen, hoe sterk wij tegen haar zijn gewapend; ik wil die gevaren in al hunne verschrikkelijkheid aannemen; hoe kwam hunne voorspiegeling thans méér, dan vroeger, te pas? Gold het invoering van een Roomsch-katholiek kerkgenootschap hier te lande?

Neen, het bestond er steeds. Zal het gevaarlijker zijn met, dan zonder een regelmatig bisschoppelijk bestuur? Kreeg Rome grooter macht? Het tegendeel moest bij bedaarder gemoedsstemming, bij nader inzien en overleg, ras blijken. Tot hiertoe was de Paus de eenige, de alvermogende bisschop. Men was aan het ultramontanisme onvoorwaardelijk prijs gegeven. In de plaats van een Italiaansch beleid is nu een Nederlandsch kerkbestuur met kanonieke zelfstandigheid gesteld. Al wat men thans kan te vreezen hebben, bestond voorheen niet alleen evenzeer, maar in veel sterkere mate.

Geen grond dus voor tusschenkomst der wetgevende macht in eene bezorgdheid, die zich van zelve moest oplossen.

Maar de pauselijke allocutie? Zoo eene krenking der gemoederen, als die welke men daarvan ontving, door eene wet moet worden gekeerd, dan moest men niet deze, maar het placet voorstellen.

2. Ik heb als eene tweede reden zien aandringen: handhaving van orde,en rust voor het vervolg.

Ik lees op de eerste bladzijde der Memorie van Beantwoording:

,,In de maatschappij moet een ieder zoo\,eel van zijne vrijheid opofferen, als dat tot behoud van rust en orde, de voorwaarde, waaronder

Sluiten